You are browsing the archive for 2013 February.

Openbaarheid van uitspraken. Rechtbankverslaggever Nieuwsblad van het Noorden, Rob Zijlstra.

2013/02/28 in Uncategorized

Over de openbaarheid van beschikkingen (uitspraken) wil ik u het onderstaande bericht van mijn collega Rob Zijlstra in Noord Nederland niet onthouden.

http://robzijlstra.wordpress.com/

Mocht de link voortijdig komen te “overlijden” dan bied ik u hier de integrale tekst aan.
Het verscheen zojuist op de Weblog van Rob Zijlstra.

28 februari 2013
Tussenvonnis

Een klein jaar geleden – in mei 2012 – concludeerde ik dat de rechtbank in Groningen de slechtst presterende rechtbank was als het gaat om het publiceren van vonnissen van de meervoudige strafkamer.
De rechtbank had tussen 1 januari en 15 mei 2012 in totaal 131 strafzaken behandeld en daarin uitspraak gedaan.
Daarvan werden 8 vonnissen gepubliceerd op de eigen site Rechtspraak.nl
De kleinere rechtbank Assen had toen al 51 vonnissen gepubliceerd.

Mijn eindconclusie was dat de vonnissen van de rechtbank Groningen zo goed als ongelezen in de archieven verdwijnen.
Het publiek kan er dan geen kennis van nemen.

Rechters spreken alleen door hun vonnis, heet het.
In Groningen spreken rechters allen door hun vonnis dat er eigenlijk niet is.
Je zou bijna zeggen dat de rechters dan net zo goed kunnen zwijgen.

Op de rechtbank in Groningen vonden ze mijn bevindingen getuige reacties niet leuk.
In Assen wel.
Groningen beloofde wel beterschap.
Niemand wil de slechtste zijn.
Komt bij dat binnen de rechtspraak de afgelopen jaren erg veel geld is uitgegeven om vonnissen in strafzaken beter toegankelijk – beter leesbaar – te maken opdat het publiek kan zien (lezen) hoe rechters tot hun oordeel komen.
Dit moet het vertrouwen in de rechtspraak bevorderen.

Uit nieuwsgierigheid heb ik vandaag gekeken wat de huidige stand van zaken is.

Het tussenvonnis: slechter kan het bijna niet.
Van de 46 behandelde en afgeronde strafzaken tussen 1 januari en 28 februari 2013 voor de meervoudige strafkamer in Groningen is welgeteld één vonnis gepubliceerd.
De rechtbank in Groningen handelt hiermee in strijd met de eigen regels en de landelijke richtlijnen.

Maar wie kan dat nou schelen?

Rob Zijlstra

Archief: de zaak Lancee.

2013/02/28 in Uncategorized

In Trouw verscheen in 1998 het onderstaande artikel.
Voor wetenschappelijke studie is het integraal opgenomen.

Sorgdrager vindt Lancée een soort verkeersslachtoffer
JOOP BOUMA − 28/03/98, 00:00

AMSTERDAM – René Lancée, de ex-politiechef van Schiermonnikoog, kan 40 000 gulden smartengeld krijgen voor zijn onterechte arrestatie en moet verder niet zeuren. Slachtoffers van verkeersongevallen zijn doorgaans slechter af. Vindt minister Sorgdrager (D66, justitie).

Maar Lancée is niet onder een auto gekomen. Hij is gemangeld in een overspannen justitie-apparaat, dat fout op fout stapelde en de oorzaak is dat een 47-jarige nooit meer zijn politie-uniform aan wil trekken.

Als de landsadvocaat die namens Justitie onderhandelt met Lancée, wat had gebladerd in de ‘Smartengeld-gids’ van de ANWB, waarin per letselcategorie de vonnissen van de afgelopen tien jaar zijn samengebracht, dan was hij misschien op heel andere bedragen gekomen.

Drie voorbeelden. Eerste geval: Directeur wordt na onenigheid met de mede-directeuren geschorst. De man had zijn hele actieve leven aan het bedrijf en de branche gewijd. De ruzies, waaraan ook de anderen schuld hadden, werden onder het personeel zó gedraaid, dat de geschorste directeur de zwarte piet kreeg. De directeur stapt naar de rechter. Op 27 juli 1988 doet de Amsterdamse rechtbank uitspraak. De rechters kennen hem een smartengeld toe van 90 000 gulden. Rekening houdend met een inflatiecorrectie zou dat nu neerkomen op zo’n 110 000 gulden.

Tweede geval: Adjunct-directeur is promotie tot algemeen directeur beloofd. Maar een organisatiebureau adviseert een functionaris van buiten aan te trekken. De gepasseerde onderdirecteur spant een kort geding aan. De arbeidsverhoudingen raken volledig verstoord. Door de opstelling van de ondernemingsleiding, maanden lang, raakt de man in een isolement. De kantonrechter in Arnhem wijst hem op 8 februari 1991 een smartengeld toe van 75 000 gulden (dat zou nu zo’n 85 000 gulden zijn).

Derde geval: Wethouder van Bergen op Zoom wordt er door het weekblad Nieuwe Revu en Veronica van beschuldigd dat hij zich als ambtsdrager laat omkopen. Een opname met een verborgen camera zou aantonen dat hij zich liet fêteren door een Amerikaans bedrijf dat zou overwegen een fabriek te bouwen in zijn gemeente. Het was een valstrik, opgezet door die media. De wethouder stapte naar de rechter. Het hof in Amsterdam oordeelde op 13 september 1990 dat de man een smartengeld toekwam van 125 000 gulden (hij eiste twee ton). De vergoeding zou nu zo’n 150

Vierde geval: Politie-officier met lange staat van dienst bij rijks- en gemeentepolitie, chef van een politiepost op een Waddeneiland, wordt verdacht van incest. Hij wordt op basis van een dubieuze aangifte, in de nacht door een arrestatieteam van collega’s van de vaste wal, rauwelijks van zijn bed gelicht en 13 dagen opgesloten. Door de opstelling van de ondernemingsleiding (lees: openbaar ministerie), maanden lang, raakt de man in een isolement. Hij eist, naast doorbetaling van zijn salaris, een smartengeld van 100 000 gulden. De minister van justitie, geadviseerd door het college van procureurs-generaal, biedt hem naast een ruime vergoeding van 13 000 gulden voor de 13 dagen voorlopige hechtenis, een smartengeld aan van 40 000 gulden. De landsadvocaat deelt mee dat de politieman wel op zijn werk kan terugkeren.

Vraag: wie zou zich het meest gepakt voelen, de directeur, de adjunct-directeur, de wethouder of de politiechef? Antwoord: hoofdinspecteur van politie, René Lancée.

Bits en pissig

Maar minister Sorgdrager denkt daar anders over. Donderdagavond reageerde ze buitengewoon bits op een pissige brief die voorzitter H. van Duijn van de Nederlandse Politiebond haar stuurde, nadat deze in een uitgelekte brief van de landsadvocaat had gelezen dat Justitie een smartengeld van 40 000 gulden een mooi bedrag vindt voor de gewezen politiechef. Van Duijn ritste in zijn brief een hele reeks kwalificaties aaneen. Hij noemde het aanbod ‘stuitend, schokkend, ongelofelijk, onbestaanbaar, onbegrijpelijk en beschamend.’ De bewindsvrouwe had zich bovendien, aldus Van Duijn, ‘belabberd’ verantwoord in de Kamer.

Sorgdrager op haar beurt hekelde in een ‘open brief’ de ‘tendentieuze, grievende en onjuiste bewoordingen’ waarin de NPB-voorzitter zich had uitgelaten. “U overschrijdt de grenzen van het betamelijke.” Ze stoorde zich vooral aan passages waarin Van Duijn het openbaar ministerie in de zaak-Lancée ‘criminele trekjes’ en ‘machtsmisbruik’ aanwrijft.

Sorgdrager vindt dat Lancée geen reden heeft om te klagen over het geld. Ze wijst er in haar open brief op dat de rechter terughoudend is in het toekennen van hoge smartengelden. Het bedrag dat zij Lancée wil geven ligt op het niveau van smartengelduitkeringen voor slachtoffers van ernstige verkeersongevallen, die daaraan een zware handicap met grof ontsierende littekens hebben overgehouden. Maar bij Lancée zitten de littekens niet aan de buitenkant, hoewel ze waarschijnlijk wel pijnlijk en diep zijn.

Nog een passage uit de brief van de landsadvocaat aan Lancée’s advocaat wekt verbazing. De landsadvocaat stelt dat de verstoring van de relatie werkgever-werknemer, waarop Lancée zijn langdurige en onherstelbare arbeidsongeschiktheid voor het politiewerk baseert, niet kan worden toegeschreven aan de nasleep van de valse incest-aangifte. Er wás al sprake van problemen in de arbeidsverhouding, stelt de advocaat van de staat. Daar komt bij dat volgens hem bij de regiopolitie Friesland geen bezwaar zou bestaan tegen terugkeer van Lancée.

Lancée spreekt tegen dat er vóór zijn arrestatie sprake was van een arbeidsconflict. “Dat was toen juist opgelost. Ik zou op 1 mei 1996 in Leeuwarden beginnen als stafofficier informatiebeveiliging. Maar op die datum zat ik nog in Groningen in de politiecel.” Gisteren deelde de Friese korpsbeheerder, burgemeester H. Apotheker van Leeuwarden, mee dat ook hij het onwaarschijnlijk acht dat Lancée kan terugkeren in zijn korps.

Lancée zelf is daar van aanvang af ondubbelzinnig in geweest. “Ik ben dusdanig beschadigd en afgeschoten. Dat kán niet meer. Karaktermoord, noemden ze dat destijds in een krant. Ik vind ook dat dit niet het probleem is van het politiekorps Friesland. De schuldigen zitten in Den Haag. Het feit dat ik niet werk, heeft te maken met de wijze waarop het openbaar ministerie tegen mij is opgetreden.”

Waarom houdt de rechter zich niet bij de voorgelegde rechtsvraag? Waarom mag de rechter stellen dat wij toch om paardenvlees vroegen … en niet om rundvlees?

2013/02/28 in Uncategorized

Zelfs als je vragen aan de rechter door tussenkomst van een advocaat eenduidig, juridisch geformuleerd aan de rechter toestuurt, gebeurt er iets vreemd.

Als je 3 vragen aan de rechter voorlegd, presteert de rechter het om er toch maar 1 te gaan beantwoorden. Formeel juridisch zou dat dus kunnen worden genoemd: weigering van de rechter om recht te spreken. Dat is aan de rechter expliciet verboden, bij wet!

Daarbij past de rechter in zijn beschikking de gestelde rechtsvraag ook nog eens aan. De aanpassing is dan vaak zodanig dat de rechter veel makkelijker een antwoord kan formuleren.

De rechter kan veel beschikken, maar niet hetgeen dat van hem gevraagd wordt.

Als verslaggever ben ik benieuwd of meer mensen er tegenaan gelopen zijn dat de rechter in feite weigert de voorgelegde vraag of vragen te gaan behandelen?

De rechter mag dus zichzelf controleren. Ofwel een slager die zijn eigen vlees controleert!
Maar nog veel erger. Als u om rundvlees vraagt, dan mag de rechter gewoon zeggen dat u hem vroeg om paardenvlees. De rechter weet ten slotte wel wat goed voor u is. Paardenvlees is gezonder, dus dat geeft de rechter u.

Als heel Europa over de rechter heen valt en stelt dat als je rundvlees vraagt, dat dan niet paardenvlees moet worden geleverd, dan zegt de rechter: “Ja, maar ik heb tocht nooit gezegd dat rundvlees hetzelfde is als paardenvlees?” U werpt dan misschien nog aan de rechter-slager tegen: “Ja, maar ik vroeg u duidelijk om rundvlees.” Dan zegt de rechter weer tegen u: “Ja, meneer/mevrouw, in mijn beschikking heb ik toch vermeld dat u om paardenvlees hebt gevraagd?” Vervolgens werpt u tegen: “In het verzoek dat ik u middels mijn advocaat deed, vroeg ik toch heel duidelijk om rundvlees.”
Dan zal de rechter u vervolgens de genadeklap toebrengen met de woorden:
“Als u het niet eens was met mijn beschikking. Als u vindt dat ik uw vraag niet heb beantwoord, dan had u maar in hoger beroep moeten gaan.”

Ofwel: de rechter mag straffeloos “fouten” maken en doen alsof hij gek is.

Zodra u tijdens een procedure merkt dat een rechter de oorspronkelijk gestelde vraag probeert te negeren, zou u eigenlijk meteen deze rechter moeten wraken. Als de rechter niet op de gestelde vraag in gaat, kan hij al sowieso niet als onpartijdig, niet vooringenomen en voor u rechtvaardig worden voorgesteld.

Voor aanvang van de zitting zou u moeten checken:
– of de rechter geen hoedanigheden heeft die uw belang kunnen schaden
(of ten minste daar een schijn van zou kunnen laten ontstaan).
– of de rechter op zitting over het dossier beschikt
– of de rechter over het complete dossier beschikt

In de zitting zou u moeten checken:
– hanteert de rechter de rechtsvraag die u hem liet voorleggen?

In het algemeen heeft de rechter van de wetgever de rol van kwaliteitscontroleur en kwaliteitsscheidsrechter toegedicht gekregen. Voor de rechter geldt dus ook wat voor iedere controleur geldt. Juist een controleur kan in situaties worden gemanoevreerd dat geprobeerd wordt om hem te beinvloeden en te laten corrumperen. Daarom moet iedere controleur eerst zijn eigen toezicht en tegenspraak gaan organiseren … voordat hij zijn eigenlijke werk van toezicht en controle gaat doen.

Als mijn slager blijft volhouden dat ik om paardenvlees heb gevraagd,
wil ik graag naar een andere slager kunnen gaan.

Jammer nu toch, dat de wetgevende macht aan de rechter een monopolie heeft verschaft.
We hebben gedwongen winkelnering opgelegd gekregen. We hebben het maar te doen met deze rechter.

Twee nieuwe auteurs. Lezers, denk graag met hen mee!

2013/02/27 in Kind-Ouder-dossiers, Uncategorized

We mogen weer 2 nieuwe lezers/ auteurs op de site begroeten.

Sarah en Jan. Het gaat om weer 2 hele bizarre verhalen.

Sarah heeft haar zoon na goed overleg vrijwillig laten plaatsen in een jeugdzorginstelling.
Nu mag ze niet eens een verjaardagskado aan hem brengen. Dat terwijl ze als moeder gewoon gezag heeft.
Zij heeft haar zoon al meer dan 6 maanden niet meer mogen zien. Van de rechter? Nee, weer eigenrichting van een jeugdzorginstelling samen met BJZ.

Jan heeft lange tijd zijn kind niet kunnen zien … hij weet niet eens waar zijn kind is.
Ontvoerd! Ergens in Zuid Europa. De politie doet weer niets.

Graag uw reacties op hun verhalen.

Graag uw reactie naar: justitieslachtoffers@gmail.com
Nog liever zien wij u hier terug als auteur met een POST of een COMMENT.

200 Jaar Duivelskringen met Verdeel en Heers

2013/02/27 in Uncategorized

Paleis van Justitie Arnhem

Als 1 van de vele verslaggevers voor deze web-krant wil ik in mijn bijdragen u graag prikkelen om met mij na te denken. Na te denken over een aantal zaken waar we 200 jaar lang nauwelijks vragen over stelden. Ik vraag u om deelgenoot te worden van de gedachten zoals die al door rechtsfilosofen zijn gedeeld voor de Franse Revolutie. Gedachten die al geformuleerd werden voordat Napoleon een stempel op onze rechterlijke organisatie ging drukken. Als beginpunt voor de moderne (?!) rechterlijke organisatie houd ik aan 1815.

Misschien wel leuk om even in herinnering te brengen: de eerste personen die aangezocht werden om als minister voor een staatshoofd de rechterlijke organisatie vorm te gaan geven, probeerden voor de eer te bedanken.

Er is een groot verschil tussen de theoretische wenselijkheid voor de inrichting van het rechtssysteem en het uiteindelijke resultaat van de maatschappelijke krachten.

De rechter is in alle landen van de wereld in alle jaren van de geschiedenis steeds misbruikt om een uitweg te organiseren uit onoplosbare problemen. Voor Nederland was dat bijvoorbeeld de problematiek rond het onteigenen van gronden voor de aanleg van spoorwegen. Vergelijk nu de onteigening van SNS-aandeelhouders. In ruil voor het gaan opknappen van rot-klussen voor de koning, het parlement en de uitvoerende macht kreeg de rechter een onschendbaarheid. De bedoeling was dus steeds dat de rechter zich voor het karretje van anderen liet spannen.

Wat doet de rechter om op zijn beurt ook buiten schot te blijven?
Waarom moet een procespartij zich door een advocaat laten vertegenwoordigen?
Waarom controleert het ministerie van Justitie zich feitelijk alleen intern in een gesloten systeem?
Controleert de rechter het OM?
Controleert het OM de rechter?
Wat doet de rechter om de samenleving “bestuurbaar” te houden?
Wat doet de rechter als hij geen middelen heeft voor goed onderzoek?
Wat doet de rechter als de politiek opdracht tot onrecht geeft?
Laat de rechter zich wel voor karretjes spannen?
Waarom is de rechter zo volgzaam aan zogenaamde deskundigen?
Wie zijn die deskundigen?
Wie controleert de juistheid van deskundigen oordelen?
Waarom wordt er onderscheid tussen strafrecht en overig recht gemaakt?
Waarom hebben we in Nederland geen recht om als burger aanklager of mede-aanklager te zijn?
Waarom kan een advocaat niet als aanklager in strafrecht zaken optreden in plaats of naast een officier van justitie?
Waarom zijn er geen toetsen op jurisprudentie?
Waarom is er geen OM taak om jurisprudentie aan een hogere rechter voor te leggen?
Waarom mag jurisprudentie in zeer duidelijke tegenspraak zijn met andere jurisprudentie?
Waarom wordt toegestaan dat jurisprudentie in tegenspraak is met de wet?
Waarom wordt jurisprudentie niet buiten de orde geplaatst als er een nieuwe wet van kracht is geworden?
Waarom wordt er niet gestructureerd naar de volksvertegenwoordiging gecommuniceerd dat de rechter in grote mate blijkt te moeten terugvallen op jurisprudentie?
Waarom signaleert de volksvertegenwoordiging niet dat de rechter blijkbaar vaak “noodverbanden” moet aanleggen met het zich baseren op bestaande of nieuw te vormen jurisprudentie-beschikkingen?

Waarom namen burgers niet meer eigen initiatieven om procedures en uitspraken van rechters te toetsen op juistheid?

Het stellen van vragen is veel eenvoudiger dan ze te beantwoorden.

Waarom zijn er procedures waar geen democratische controle op kan plaatsvinden, omdat ze achter gesloten deuren mogen blijven? Is het niet juist in het belang van bijvoorbeeld kinderen of belastingplichtigen dat de hele wereld toezicht kan houden op een integere argumentatie van de rechter? Dat de hele wereld kan toetsen of in redelijkheid voldoende onderzoek is gedaan?

De geschiedenis leert dat de rechter in een aantal gevallen vrij expliciet om een list met “onwaarheid” wordt gevraagd om een oplossing te vinden om een achterstand in te voeren rechtszaken weg te werken. De rechter moest regelmatig een list verzinnen om een burgemeester niet bedolven te laten worden onder onoplosbare zaken. De rechter mocht regelmatig schaamlappen ophouden voor de koning. Met nadruk moet ook worden geconstateerd dat de volksvertegenwoordiging ook graag onoplosbare, lastige individuele problemen bij de koning neerlegde. Tot voor kort werden in Nederland diverse lastige kwesties opgelost met Koninklijke Besluiten. In een parlementaire democratie met een koning onder ministeriele verantwoordelijkheid komt de koning er in persoon al helemaal niet meer aan te pas. De koning leent alleen zijn naam aan de functie.

Rechtvaardigheid kan nooit geschieden op een basis van onwaarheid. Daar hebben we dus een fors probleem. We krijgen de rechters die we als volk verdienen. Wellicht dat we de rechter als burgers betere randvoorwaarden kunnen gaan verschaffen. Dat kan beginnen met een positief constructieve houding: betere controle op het werk van de rechter. Graag breng ik onder uw aandacht het burgerinitiatief Toezicht Rechtspleging. Er hebben zich al enkele tientallen mensen sympatisant verklaard voor dit burgerinitiatief Toezicht Rechtspleging. Graag verwijs ik naar de andere auteurs op deze web-krant, justitieslachtoffers.nl.

Graag uw reactie naar:      justitieslachtoffers@gmail.com
Nog liever zien wij u hier terug als auteur met een POST of een COMMENT.

Eindrapport Project Reflectie (Ouweneel e.a.)

2013/02/22 in Uncategorized

een van de redacteuren

Als kwaliteitsfunctionaris binnen het ministerie van Justitie was ik betrokken bij werkzaamheden in het kader van professionaliseringsprojecten en bij werkzaamheden van PRISMA in het algemeen. Als het ware was ik in dienst van het ministerie als klokkenluider. Helaas blijkt in het civiele recht zomogelijk nog meer reden om de noodklok te luiden.

Graag ontvang ik van zo veel mogelijk mensen overdenkingen bij het onderstaande document. Het is een weergave van reacties van medewerkers binnen de Rechterlijke Organisatie naar aanleiding van een groot aantal actuele rechterlijke dwalingen en de grote maatschappelijke ontevredenheid over het functioneren van de rechtspraak.

130222_2000_d_$ MvJ_Eindrapport_Project_Reflectie_Ouweneel_ea $ scan SI $

Het document is zonder datum en mist een aantal onderdelen die in een wetenschappelijk kader gebruikelijk zijn. Het verscheen waarschijnlijk in de loop van 2009. Het geeft een goede indruk van een aantal benoemde problemen. Problemen, benoemd dus ook door rechters en andere collega’s in de rechtspleging.

Graag nodig ik u uit het document te lezen en er op te reageren op deze site.

Indien u het nog te lastig vind om als redacteur op deze site uw reactie als “post” aan te bieden, dan wil ik u graag uitnodigen om een “comment” te schrijven of om het commentaar als e-mail aan deze site toe te sturen. Het mail-adres: justitieslachtoffers@gmail.com

Voor het strafrecht is momenteel behoorlijk veel aandacht. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de publicaties van Ton Derksen over Lucia de Berk en Ernst Louwes. Met harde technische bewijzen is heel duidelijk bewezen dat het dwalingen betrof.

Als auteur richt ik me liefst op het civiele recht. Ik heb me moeten laten overtuigen dat ook in het civiele recht mensen levenslang hebben gekregen of anderszins een volledig verwoest leven. In het civiele recht worden “straffen” uitgedeeld waar volksvertegenwoordigingen helemaal geen notie van hebben kunnen nemen, omdat de straffen en de zogenaamde “bewijsvoering” in het verborgene achter gesloten deuren plaatsvindt.

In diverse civiele zaken wordt er letterlijk over leven en dood beschikt. Er worden opdrachten tot operaties gegeven, contacten tussen mensen stil gelegd, dwangmiddelen gebruikt om vrije meningsuiting en contact te beletten, enz. enz. Er worden zelfverzonnen straffen door de rechter opgelegd. Straffen waartoe geen enkele volksvertegenwoordiging werkelijk mandaat heeft gegeven aan de rechter. Er zijn onverantwoorde excessen in productie en gebruik van jurisprudentie ontstaan. Rechters controleren feitelijk elkaar niet eens als het gaat om het gebruik maken van jurisprudentie.

De rechter is zichzelf een vrijheid gaan gunnen dat hij zelfs zelf denkt te mogen bepalen welke rechtsvraag aan hem wordt voorgelegd. De rechter wordt niet alleen in staat geacht om als slager zijn eigen vlees te controleren. Hij wordt zelfs geacht te bepalen wat het vlees is dat we van de rechter vragen en wat ueberhaubt “vlees” is.

Het behoeft weinig overdenking dat het ongewenst is dat de rechter lastige rechtsvragen eigenhandig vereenvoudigd tot vragen die hem beter uitkomen en waar hij beter een antwoord op denkt te kunnen geven.

Indien de rechter in een uitspraak (beschikking) aangeeft niet op de oorspronkelijke vraag antwoord te hebben kunnen geven, staat dat niet gelijk met geen recht hebben willen spreken.

Net als in de afgelopen jaren binnen het strafrecht is gebeurd: de burger heeft ten minste recht om veel beter geinformeerd te worden wat de argumentatie en redenatie van de rechter(s) is geweest om tot een civiele uitspraak te komen.

justitieslachtoffers.nl

 

 

======================================================================
< Voor text-retrieval-technologie is de inhoud zonder volledige opmaak hieronder nogmaals opgenomen. >

de Rechtspraak
Eindrapport ‘Project reflectie’

Project reflectie’

Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 Inleidende opmerkingen, pagina 3
1.2 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 3
1.3 Projectgroep. pagina 4
1.4 Startbijeenkomst, pagina 5
1.5 Fouten binnen de Rechtspraak, pagina 6
1.6 Top-down?, pagina 7
1.7 De opdrachtgevers van het project. pagina 7
1.8 Samenstelling van de projectgroep, pagina 7
1.9 Samenstelling van de klankbordgroep. pagina 8
Hoofdstuk 2: Het bespreken van vernietigingen, cassaties en herzieningen in de
gerechten
2.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 9
2.2 Uitwerking, pagina 9
2.3 Aanbevelingen, pagina 10
2.3.1 Nalezen/bespreken beslissingen van de hogere rechter, pagina 10
2.3.2 Nalezen/bespreken eigen beslissingen, pagina 11
2.3.3 Meelezen eigen beslissingen, pagina 11
2.3.4 Sectorbulletin, pagina 12
2.3.5 Vakinhoudelijk overleg, pagina 12
2.3.6 Kennisgroepen, pagina 12
2.3.7 Sectorbrede bijeenkomst/lezing, pagina 13
2.3.8 Court-sessions, pagina 13
Hoofdstuk 3: Systematisch overleg tussen opvolgende instanties
3.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 14
3.2 Rol van de gerechtshoven, pagina 14
3.3 Ressortelijke bijeenkomsten, pagina 15
3.3.1 Strafrecht, pagina 16
3.3.2 Civiel recht, pagina 16
3.3.3 Belastingrecht, pagina 17
3.4 Interne reflectie, pagina 17
3.4.1 Pilots interne reflectie, pagina 19
Hoofdstuk 4: Reflectiecommissie(s)?
4.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 21
4.2 Inleidende opmerkingen, pagina 21
4.3 Introductie van reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur?, pagina 22
4.4 Geen introductie van reflectiecommissies, pagina 23
4.5 Wet hervorming herzieningsregeling, pagina 25
4.6 Slotopmerkingen. pagina 27
Hoofdstuk 5: Aanbevelingen, pagina 28
Pagina 2 van 28
‘Project reflectie’
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Inleidende opmerkingen
De kwaliteit van de Rechtspraak is de laatste tijd steeds meer ter discussie komen te staan.’
Dit heeft aan de ene kant te maken met een toenemende belangstelling van de gewone
media, naast de vakpers, voor de behandeling van rechtzaken, die van strafzaken in het
bijzonder. Daarnaast is er sprake van veranderende maatschappelijke opvattingen over
transparantie en externe verantwoording van alle professionele dienstverleners, en nu dus
3ôk de rechters. Ook is de nieuwswaarde van ‘het recht’ herontdekt, niet in de laatste plaats
door enkele geruchtmakende justitiële dwalingen (de Schiedammer parkmoordzaak en de
Puttense moordzaak), maar vooral ook door veronderstelde justitiële dwalingen (te denken
valt in het bijzonder aan de Deventer moordzaak en de Enschedese ontuchtzaak) en ook
door bijvoorbeeld de wijze waarop de Dexia-zaken thans worden afgedaan.
Daarnaast komen er in toenemende mate kritische geluiden vanuit de wetenschap en ook
van binnen de magistratuur. Daar waar vroeger werd geaccepteerd dat een rechter alleen
via zijn beslissing sprak, worden er – onder meer – door de genoemde maatschappelijke
ontwikkelingen meer en andere eisen gesteld aan de wijze waarop het proces en de
rechterlijke oordeelsvorming worden gemotiveerd en gecommuniceerd.2 Of zoals één van de
leden van de Klankbordgroep opmerkte: “Rechters moeten in een voorkomend geval
gedwongen kunnen worden om na te denken over hetgeen ze hebben aangericht.”
Onlangs is bijvoorbeeld nog een artikel onder de titel Dwalende rechters’ verschenen, dat
aanvangt met de volgende zin (waar de verwondering sterk in door lijkt te klinken): ‘De
rechterlijke macht is de enige beroepsgroep in ons land die niet door buitenstaanders wordt
gecontroleerd, maar in staat en bereid wordt geacht zichzelf te controleren.”3
Naast kritische geluiden is er ook positief nieuws te melden, nu onderzoeken onder klanten
en medewerkers van de Rechtspraak en de uitkomsten van de in 2006 gehouden eerste
visitatie van de gerechten juist een positief beeld schetsen van het functioneren van de
Rechtspraak. Alles bijeen genomen, lijkt er genoeg aanleiding te bestaan om door een aantal
ingrepen de kwaliteit van de rechtspleging te bevorderen.
In dit project is getracht om handvatten te ontwikkelen, die kunnen worden gebruikt om niet
alleen de kwaliteit van de Rechtspraak voor de toekomst te borgen, maar ook het vertrouwen
van de samenleving in de Rechtspraak vast te houden, en daar waar nodig dit terug te
winnen.
1.2 Uitgangspunten uit de projectopdracht
In de Agenda van de Rechtspraak 2008 – 2011 is ‘Deskundige Rechtspraak’ de eerste
doelstelling.4 Een belangrijke voorwaarde daarvoor is dat de Rechtspraak een lerende
organisatie is. Scholing, het bijhouden van juridische literatuur, vakinhoudelijk overleg en het
bespreken van vernietigingen en cassaties vormen vanouds een belangrijk onderdeel van
1 Zie daarover bijvoorbeeld: NJB 2007, 139. Kwaliteit van de Rechtspraak (mr A.H. van Delden, dr F
van Dijk en mr E. Bauw).
2 Raad voor de rechtspraak (4 mei 2006), In het belang van goede strafrechtspraak, p. 3. Hetgeen
daar staat geschreven over strafzaken kan in grote lijnen ook van toepassing worden geacht op civiele
en fiscale zaken.
Dwalende rechters, De Groene Amsterdammer 03.04.09.
Raad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 – 2011, p. 4.
Pagina 3 van 28
Project reflectie’
het rechterlijke werk. De Agenda van de Rechtspraak heeft daar een tweetal instrumenten
aan toegevoegd die betrekking hebben op de eerste en de tweede aanleg samen-
(1 ) reflectiecommissies en (2) systematisch overleg over kwaliteit tussen de opvolgende
instanties.
Het bespreken van vernietigingen en cassaties in de sectoren, systematisch overleg tussen
opvolgende instanties en reflectiecommissies kunnen in samenhang worden bezien. Bij alle
drie instrumenten gaat het erom op gestructureerde wijze te leren van beslissingen in hoger
beroep en cassatie. Van belang is dat het gaat om gezamenlijk te leren. Dit vereist bij alle
gerechtelijke instanties een bereidheid om te leren van verschillen van inzicht.
1.3 Projectgroep
In maart 2008 is in opdracht van de Raad voor de rechtspraak en de presidenten van het
gerechtshof Arnhem en de rechtbanken Arnhem en Zutphen een projectgroep aan het werk
gegaan met als opdracht de drie voormelde instrumenten nader uit te werken en (meer) in
samenhang met elkaar te brengen. De naam van het project Leren van vernietigingen en
cassaties’ is door de projectgroep vereenvoudigd in het ‘Project reflectie.
Het uitgangspunt was om het project in een drietal fasen uiteen te laten vallen: een
uitwerkingsfase, een uitvoeringsfase en een evaluatiefase. Deze driedeling liet zich in de
praktijk niet zo gemakkelijk maken. Er is daarom voor gekozen om gedurende het project
alleen intern, door middel van tussenrapportages te rapporteren, waarbij overigens wél
enkele voortgangsberichten op Intro zijn geplaatst.5 Ook zijn enkele tussenbevindingen
kenbaar gemaakt op een gezamenlijke bijeenkomst van het gerechtshof Arnhem, het
ressortsparket Arnhem en de balie uit het ressort Arnhem op 13 november 2008 en op een
interne bijeenkomst binnen de sector strafrecht van het gerechtshof Arnhem op 24 november
2008. De opmerkingen en reacties die naar aanleiding daarvan zijn gemaakt, zijn ook
meegenomen in de verdere besprekingen binnen de projectgroep.
Deze eindrapportage is het resultaat van al die tussenrapportages waarin alle op- en
aanmerkingen (vanuit de projectgroep, de klankbordgroep en andere geconsulteerden)
zoveel mogelijk zijn verwerkt.
In deze rapportage zijn de drie instrumenten uitgewerkt (dan wel besproken) die het leren
van vernietigingen en cassaties ondersteunen:
bespreken vernietigingen en cassaties in de gerechten6:
systematisch overleg tussen opvolgende instanties, waaronder interne reflectie:
reflectiecommissie(s).
De drie instrumenten zullen hierna ook worden aangeduid als het eerste, tweede en derde
instrument.
Met een onderdeel van het tweede instrument, de interne reflectie (die is besproken in
paragraaf 3.4), is in twee zaken ervaring opgedaan.
Bij de uitvoering van het project is gebleken dat de drie instrumenten, zoals die door de Raad
van de rechtspraak in de projectopdracht zijn weergegeven, een sterke samenhang hebben.
Er is sprake van een soort ‘drietrapsraket’. De instrumenten volgen elkaar op en hebben tot
Zie: http://intro.bistro.ro.minjus.nh/lntrolandelijk/Kwaliteitszorg/Projecten.
° Door de projectgroep is hieraan toegevoegd: ‘het bespreken en leren van herzieningen’. Dit wordt in
hoofdstuk 2 verder uitgewerkt.
Pagina 4 van 28
‘Project reflectie’
doel te leren en te verbeteren. Samengevat komt het er op neer dat eerst in een sector op
gezette tijden de beslissingen van de hogere rechter intern behoren te worden besproken.
Als daar aanleiding toe is, kunnen vervolgens in een verticaal overleg de gerezen
vraagpunten tussen een gerechtshof en rechtbank worden besproken, waarbij mogelijk een
zogenaamde interne reflectie kan worden geëntameerd.
Het doel van het project was voorts nog om te onderzoeken het antwoord op de vraag, of er
vervolgens ook niet nog in heel bijzondere gevallen, als een verticaal overleg naar aanleiding
van een bepaalde uitspraak tussen een rechtbank en een gerechtshof geen bevredigende
uitkomst biedt of in verband met telkens terugkerende signalen 7, reflectie plaats zou
moeten/kunnen vinden, op een zodanige wijze dat de zes betrokken rechters (drie
raadsheren en drie rechters, en mogelijk ook de gerechtssecretarissen) onder leiding van
een commissie, met leden van buiten het betreffende gerecht, de zaak gestructureerd
analyseren. Na een aanvankelijk voorzichtig ‘ja’ wordt die vraag thans met een nadrukkelijk
‘nee’ beantwoord. Deze vorm van reflectie past niet binnen het wettelijke stelsel van de
herziening, zeker niet in de door de Minister van Justitie voorgestelde, nieuwe vorm (zie
daartoe hoofdstuk 4).
De drie instrumenten zijn uitgewerkt in de volgende drie hoofdstukken.
De verhouding tussen de Hoge Raad en de gerechtshoven valt buiten het bestek van deze
projectopdracht. Dit geldt ook voor het niet-fiscale bestuursrecht.
1.4 Startbijeenkomst
Het project is van start gegaan met een zogenaamde startbijeenkomst op 27 maart 2008 in
het Arnhemse Paleis van Justitie waarbij twee gastsprekers van buiten de Rechtspraak
waren uitgenodigd om vanuit hun discipline te vertellen hoe zij omgaan met incidenten en
hoe die worden aangepakt. De startbijeenkomst bestond uit twee onderdelen. ‘s Ochtends
waren twee gastsprekers van buiten de Rechtspraak uitgenodigd. Bij dit onderdeel waren
tevens drie van de vier opdrachtgevers aanwezig. Het ochtenddeel leverde gespreksstof op
voor het middagdeel waarin de leden van de projectgroep met elkaar discussieerden over de
invulling en uitvoering van het project. Mr Rinus Otte, toenmalig vice-president van het
gerechtshof Amsterdam8, trad op als dagvoorzitter.
De eerste gastspreekster was mr Ingrid van Kleef-van Deelen. Zij is werkzaam voor de Raad
van Bestuur van de Alysis Zorggroep (een samenwerkingsverband van een drietal
ziekenhuizen en een verpleeghuis uit de regio Arnhem). Binnen Alysis is, net als in veel
andere ziekenhuizen, een Meldingscommissie Incidenten Patiëntenzorg (MIP) actief. Het is
een eigen, intern kwaliteitssysteem. In haar presentatie ging zij uitgebreid in op de
samenstelling en de werkwijze van de MIP, het soort incidenten en de knelpunten. Zij zag
een aantal parallellen tussen de rechterlijke macht en de ziekenhuiswereld: “Hulpverleners
zijn gebonden aan een beroepsgeheim, binnen de rechterlijke macht bestaat het geheim van
raadkamer. Rechters functioneren soms jaren achtereen in een vaste samenstelling; artsen
doen dat in maatschapverband ook. Dat maakt het lastig om incidenten van elkaar te
melden, wantje moet nog een tijdje met elkaar door één deur. Weliswaar wisselen de
mensen om hen heen – griffiers onderscheidenlijk verpleegkundigen/artsassistenten – maar
zij zijn veelal ondergeschikt en dus afhankelijk, waardoor het voor hen lastig is incidenten te
melden. Bovendien staan artsen en rechters over het algemeen nog hoog in aanzien en zo
voelen ze dat ook. Hierdoor zijn fouten vaak moeilijk bespreekbaar.” Ook zijn incidenten in
beide sectoren volgens Van Kleef zeer persgevoelig. Bovendien worden in zowel de
medische stand als de rechterlijke macht besluiten genomen die het leven van mensen danig
Vanuit het openbaar ministerie, de politie, de advocatuur en/of de kring van wetenschappers.
8 Thans werkzaam als vice-president bij het gerechtshof Arnhem.
Pagina 5 van 28
Project reflectie’
beïnvloeden: “Het grote verschil is dat het melden van incidenten in de ziekenhuizen al jaren
een begrip is. Binnen de rechterlijke macht begint men momenteel bij nul. Dat betekent dat
er bij de start vooral hard gewerkt zal moeten worden aan een cultuurverandering, waarin
veilig melden zich een plaats zal moeten verwerven.”
Als tweede gastspreker trad mr Jan-Willem Grimbergen op, toenmalig advocaat-generaal in
Arnhem9 en tevens voorzitter van het driemanschap dat in het kader van de Commissie
Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: de CEAS)1° de zaak Lucia de B. heeft onderzocht.
Zijn bijdrage ging over zelfreflectie bij het Openbaar Ministerie. Hij gaf de projectgroep mee
vooral goed na te denken over het doel dat nagestreefd wordt: “Ben je alleen uit op interne
verbeteringen of wil je ook verantwoording afleggen aan de samenleving?” Voorkomen moet
worden, aldus Grimbergen, dat er een instrument wordt ontwikkeld, waarbij de slager als het
ware zijn eigen vlees keurt. Dat is normaal gesproken niet zo erg, maar wel als die slager (in
dit geval de Rechtspraak) onder vuur is komen te liggen.
Uit de bijdragen van de gastsprekers op de startbijeenkomst valt op te maken, dat binnen
hun organisaties (het ziekenhuis en het Openbaar Ministerie) bij de betrokken medewerkers
weliswaar een bereidheid bestaat om ‘fouten/incidenten’ te melden en te bespreken, doch
dat er een voortdurend spanningsveld bestaat over wat moet worden gemeld, waar, hoe en
wat de gevolgen daarvan (kunnen) zijn voor een individuele medewerker. In de medische
wereld (MIP systeem) en in mindere mate bij het Openbaar Ministerie (CEAS) zijn daarom
enkele instrumenten ontwikkeld om fouten/incidenten te registeren, bespreekbaar te maken,
zodat uit gemaakte fouten lering kan worden getrokken. Een dergelijk instrument kent de
Rechtspraak niet. Een MIP systeem is binnen de Rechtspraak echter niet goed bruikbaar.
Binnen de medische wereld doen fouten zich doorgaans immers ter plekke voor en zijn de
betrokkenen getuige daarvan. Binnen de Rechtspraak rijst daarentegen, soms zelfs pas na
jaren, het vermoeden dat er mogelijk een fout is gemaakt.
1.5 Fouten binnen de Rechtspraak
Binnen de Rechtspraak komen helaas, maar onvermijdelijk, fouten voor. Het overgrote deel
daarvan laat zich redelijk eenvoudig binnen het bestaande wettelijke kader van
rechtsmiddelen oplossen in appèl of cassatie (te denken valt aan een verkeerde wetsuitleg of
het onjuist toepassen van jurisprudentie). Wanneer voor een veroordeelde en/of het
Openbaar Ministerie geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen een rechterlijk vonnis
en het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, staan er daarnaast nog de buitengewone
rechtsmiddelen van cassatie in het belang der wet en herziening open.1′
Daarnaast kan een bepaald vonnis of arrest dusdanige in het oog springende leerpunten
bevatten en/of verbazing oproepen bij één van de betrokken gerechten dat een (verticaal)
overleg tussen deze gerechten ter lering en begrip’ geboden is.
Hoe we ons rechterlijk systeem ook inrichten en welke oplossingen er ook allemaal worden
bedacht om het maken van fouten te voorkomen, rechterlijke fouten zullen nooit uit te
bannen zijn. Hier schreef A.H. van Delden, de toenmalige voorzitter van de Raad voor de
rechtspraak, al over in zijn essay ‘De reflecterende rechter’. Naar zijn aard is elk rechterlijk
oordeel een waarschijnlijkheidsoordeel’: absolute zekerheid zal nooit bestaan. Het is dus
altijd mogelijk – hoe klein de kans ook is – dat een uitspraak fout blijkt te zijn. Het rechterlijk
Thans werkzaam als officier van justitie in Utrecht.
10 Ook bekend onder de benaming ‘Posthumus II’. 11 Hier is uitgegaan van een strafzaak. Binnen het civiele en fiscale recht bestaan vergelijkbare
rechtmiddelen.
Pagina 6 van 28
‘Project reflectie’
oordeel is ook een menselijk oordeel. Incidentele rechterlijke fouten (of rechterlijke
dwalingen) zijn daarom, in ieder geval in statistische zin, een onontkoombaar verschijnsel.
Dat is echter niet het maatschappelijke gevoelen. Door de gemiddelde burger worden
rechterlijke fouten of dwalingen onbegrijpelijk en daarmee onacceptabel gevonden. Als de
media zich vervolgens tot tolk van de burger maken, gaat het al gauw niet meer om de zaak
als zodanig, maar wordt in één moeite door de legitimiteit van het strafrechtssysteem als
geheel ter discussie gesteld. 12 Zie daar in een notendop het nut en de noodzaak van een
project als het onderhavige. Hetgeen Van Delden heeft geschreven over het strafrecht, kan
met wat moeite ook van toepassing op het civiele of het belastingrecht worden verklaard.
Hoewel het rumoer rond deze twee rechtsgebieden veelal in het niet zal vallen bij dat rond
het strafrecht.
1.6 Top-down?
Deze rapportage heeft wellicht een wat ‘top-down karakter’. De projectgroep heeft hier niet
mee tot uitdrukking willen brengen dat het alleen de rechtbanken zijn die moeten leren van
beslissingen in hoger beroep waarin de hoger beroeprechter de beslissing van de lagere
rechter vernietigt (overigens hebben de gerechtshoven op hun beurt te maken met
vernietiging van hun beslissingen door de Hoge Raad); lering trekken uit vernietigde (en
herziene) beslissingen gaat alle rechters ‘van hoog tot laag’ aan. Bij een groot aantal van de
initiatieven die tot doel hebben het voorkomen van fouten/incidenten binnen de Rechtspraak
dienen de gerechtshoven echter, naar het oordeel van de projectgroep, het voortouw te
nemen binnen hun ressort. Zij fungeren daarin immers als hoogste feitenrechter en zij
hebben een overzicht van de pluriformiteit en kwaliteit van de vonnissen die de verschillende
rechtbanken aanleveren. Zij zijn in staat om tendensen waar te nemen. Door op een meer
open en gestructureerde wijze invulling te geven aan hun rol als hoogste feitenrechter kan er
door de gerechtshoven enerzijds een bijdrage worden geleverd aan de borging en
ontwikkeling van de kwaliteit in eerste aanleg, en zullen de gerechtshoven anderzijds
gaandeweg ook steeds meer begrip krijgen voor de kritieken die er vanuit de rechtbanken
zijn op hun arresten en daar adequater dan nu veelal het geval is het gesprek met
rechtbanken over aan gaan.13
1.7 De opdrachtgevers van het project
• D.J. van Dijk (president van het gerechtshof Arnhem)
• M.L.J.C. van Emden-Geenen (president van de rechtbank Arnhem)
• F.W.H. van den Emster (voorzitter van de Raad voor de rechtspraak)
• G. Vrieze (president van de rechtbank Zutphen)
1.8 Samenstelling van de projectgroep
• H. Abbink, projectleider (vice-president, sector straf, gerechtshof Arnhem)
• P.F.A. Bierbooms (rechter, sector civiel, rechtbank Zutphen)
• P.J.H.M. Brouns (rechter, sector straf, rechtbank Zutphen)
• F. van Dijk (afdelingshoofd Ontwikkeling, Raad voor de rechtspraak)
• C.M. Ettema (raadsheer, sector belasting, gerechtshof Arnhem)
12 NJB 2006, 1413. De reflecterende rechter (mr A.H. van Delden).
13 Zie in dit verband ook het Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak uit september 2008,
beter bekend als het ‘Rapport Hammerstein II’, pagina 4
Pagina 7 van 28
Project reflectie’
• M. Jurgens (raadsheer, sector straf, gerechtshof Amsterdam)14
• M.J. Ouweneel, projectsecretaris (gerechtsauditeur/rechter-plaatsvervanger, sector
straf, rechtbank Zutphen)15
• A.J.H. van Suilen (raadsheer, sector belasting, gerechtshof Arnhem)”
• C.G. ter Veer (vice-president, sector civiel, gerechtshof Arnhem)
• F.J. de Vries (vice-president, sector civiel, rechtbank Arnhem)
1.9 Samenstelling van de klankbordgroep
• W.PM. ter Berg (sectorvoorzitter, sector straf, gerechtshof Leeuwarden)
• l.M. Blaauw (vice-president, sector civiel, rechtbank Zwolle-Lelystad)
• W. Breedveld (onder meer columnist bij het dagblad Trouw)
• T.J. de Geus (adviseur bij Prisma)
• U. van Houten (sectorvoorzitter, sector civiel en kanton, rechtbank Almelo)
• M.A. van de Laarschot (sectorvoorzitter. sector kanton, rechtbank Rotterdam)
• C. van Steenderen-Koornneef (sectorvoorzitter, sector civiel, rechtbank Rotterdam)
• G.A.M. Stevens (president van het gerechtshof s-Hertogenbosch)
Concepten van de verschillende tussenrapportages zijn meermalen voorgelegd aan de leden
van de klankbordgroep. Hun opmerkingen en schriftelijke reacties zijn in deze
eindrapportage zoveel mogelijk verwerkt. Aanvankelijk waren er verschillen van inzicht
tussen de projectgroep en de klankbordgroep, doch deze zijn grotendeels ‘uitgesproken’ op
een gezamenlijke bijeenkomst op 3 december 2008 te Arnhem tussen de projectgroep, de
klankbordgroep en de opdrachtgevers
14 Tot 1 september 2009 werkzaam als vice-president in de sector straf van de rechtbank Arnhem.
15 Tot 1 oktober 2009 werkzaam als stafjurist in de sector straf van het gerechtshof Arnhem.
16 Tot 1 februari 2009 werkzaam als vice-president in de sector belasting van de rechtbank Arnhem.
Pagina 8 van 28
Project reflectie’
Hoofdstuk 2
Het bespreken van vernietigingen, cassaties en herzieningen in de
gerechten
2.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht
Het is van belang dat gerechten lering trekken uit uitspraken in hoger beroep waarin de
hoger beroeprechter de uitspraak van de lagere rechter vernietigt. Daarbij moet overigens
bedacht worden dat het gerechtshof in strafzaken vaak een uitspraak van de rechtbank om
louter proceseconomische redenen vernietigt. Het zal duidelijk zijn dat deze categorie zaken
in elk geval niet bedoeld wordt.
Voor het leren van uitspraken in hoger beroep is het nodig dat deze uitspraken worden
geanalyseerd en dat eruit leerpunten worden afgeleid. Om het leereffect te vergroten is het
nodig de uitspraken (van de hogere rechter) en de leerpunten in de sector te bespreken. De
Visitatiecommissie gerechten (Commissie Meijerink) zegt over de praktijk van het bespreken
van vernietigingen en cassaties in het visitatierapport het volgende: “Bij nagenoeg alle
gerechten gaan uitspraken van een hogere instantie ten minste terug naar de concipiënt van
de beslissing. In veel (sectoren van) gerechten gaan vernietigingen voor het aangeven van
leerpunten ook naar de sectorvoorzitter of naar de stafjurist. De praktijk kan binnen een
gerecht per sector nogal verschillen. A7
Veel gerechten zijn bezig met het opzetten van overlegvormen om gestructureerde
bespreking van uitspraken te verbeteren. Het is de vraag welke manieren het meest effectief
zijn. Deze overleggen beperken zich dus tot wat de hoger beroepsinstantie zegt in haar
uitspraken. Dat zal in verreweg de meeste gevallen voldoende zijn.
2.2 Uitwerking
De leden van de projectgroep hebben ieder binnen hun eigen sector geïnventariseerd hoe
de interne bespreking van de jurisprudentie en vakliteratuur plaatsvindt. Al deze
inventarisaties zijn neergelegd in notities. Gebleken is dat er grote verschillen in werkwijzen
zijn. In de ene sector lijkt alles uitputtend geregeld te zijn en in een andere sector lijkt de
bespreking van jurisprudentie en vakliteratuur op veel minder gestructureerde wijze plaats te
vinden. Alle notities zijn bestudeerd en besproken en op basis hiervan worden
aanbevelingen gedaan hoe het interne overleg in een sector vorm gegeven zou kunnen
worden. De projectgroep spreekt nadrukkelijk uit dat het geen ‘blauwdruk’ heeft willen
schrijven hoe men in een sector jurisprudentie en vakliteratuur moet bespreken, maar hoe dit
vorm gegeven zou kunnen worden. Eén en ander is namelijk ook afhankelijk van de indeling
en de grootte van een gerecht, sector, team en/of kamer. De organisatie en
verantwoordelijkheid voor het interne overleg zou naar het idee van de projectgroep in
handen behoren te liggen van een vice-president inhoudelijk. Belangrijk is dat één of enkele,
daartoe aangewezen functionarissen, belast is/zijn met de organisatie hiervan en daar
derhalve ook verantwoordelijk voor zijn. Het neerleggen van taken en verantwoordelijkheden
in dit verband op veel verschillende plaatsen leidt gemakkelijk tot lethargie. Dat is ongewenst
in een Organisatie waarin het werk in het primaire proces voortdurend de aandacht opeist.
17 Visitatiecommissie gerechten (Commissie Meijerink) (2006), Rapport Visitatie gerechten 2006
(Raad voor de rechtspraak), p. 21.
Pagina 9 van 28
Project reflectie’
Van belang bij het intern bespreken van de jurisprudentie en vakliteratuur, en in het bijzonder
bij het bespreken van de door een hogere rechter vernietigde beslissingen, is het creëren
van een veilige omgeving waarin die besprekingen kunnen plaatsvinden zonder dat er
sprake is van enige druk van buiten of ‘hogerhand’. Alleen in een dergelijke omgeving zijn
mensen veelal in staat hun fouten’ te bespreken en kan met collega’s adequate reflectie
plaatsvinden. Bij de hierna (maar later ook in hoofdstuk 3) geformuleerde aanbevelingen
moet dat ook telkens in het achterhoofd worden gehouden.
2.3 Aanbevelingen
De focus van dit project is gericht op – kort gezegd – het leren van fouten. Dat betekent
natuurlijk niet dat de hierna te bespreken aanbevelingen alleen in dat licht moeten worden
gezien. Van de bespreking van vernietigingen, cassaties en herzieningen binnen de
gerechten, en breder nog de algemene bespreking van jurisprudentie en vakliteratuur, gaat
ook een bredere werking uit, te weten het op peil houden en vergroten van de kennis en
vaardigheden van de individuele medewerkers en de gerechten zelf. Enkele van die
aanbevelingen kunnen mogelijkerwijs ook onder de 30-uurs norm in het kader van de
permanente educatie worden geschaard.
De enigszins imperatief geformuleerde aanbevelingen zouden het beste kunnen worden
beschouwd als ‘best practices’. De projectgroep heeft zich, in uitbreiding op de
projectopdracht, niet alleen beperkt tot een beschrijving van gestructureerde overlegvormen
in de sectoren rond uitspraken in hoger beroep.
2,3,1 Nalezen/bespreken beslissingen van de hogere rechter 1″
Laat alle eigen beslissingen die zijn beoordeeld door een hogere rechter lezen door een
vice-president inhoudelijk (daarbij eventueel bijgestaan door een stafjurist). Die kan
vervolgens de beslissingen waar een algemene les uit valt te halen selecteren en ter sprake
brengen in een vakinhoudelijk werkoverleg van rechters en gerechtssecretarissen. Het
verdient in een dergelijk geval de voorkeur om die (vernietigde) beslissing te laten bespreken
door de combinatie die de beslissing heeft gewezen. De overige beslissingen kunnen
worden doorgeleid naar de betreffende rechter(s) en gerechtssecretaris ter eigen lering.
Een bijzondere vermelding verdient hier de bespreking van arresten in zaken die zijn
gewezen door een ander gerechtshof nadat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening in een
dergelijke zaak gegrond heeft verklaard. Bij deze bespreking zou ook de rechtbank
betrokken kunnen worden (zie ook hoofdstuk 3).
Toelichting
Het kan voorkomen dat er bij deze selectie of in een ander stadium, als de zaak bij het
hogere gerecht is binnengekomen, het oog valt op een fout die als vermijdbaar moet worden
gekwalificeerd. Het gaat daarbij om fouten die bij de betrokkenen ‘het schaamrood op de
kaken brengen’. Nabespreking van dergelijke fouten in een groter verband dient geen
redelijk doel. Het verdient aanbeveling dit soort fouten een-op-een door de sectorvoorzitter
(of een vice-president inhoudelijk) terug te koppelen aan de betrokken rechter(s) en
gerechtssecretaris.
18 Voor rechter kan in een voorkomend geval ook raadsheer worden gelezen.
Pagina 10 van 28
Project reflectie’
2.3.2 Nalezen/bespreken eigen beslissingen
Laat alle beslissingen van het eigen gerecht achteraf (met een zogenaamde helicopterview)
lezen door een vice-president inhoudelijk (daarbij eventueel bijgestaan door een stafjurist).
Ingeval van ‘fouten/bedrijfsongevalletjes’ of andere opvallende zaken kan vervolgens contact
worden gezocht met de betreffende combinatie.
Het verdient de voorkeur om dit nalezen ‘blindfolded’ te laten gebeuren. dat wil zeggen
zonder dat bekend is bij de nalezer welke rechter(s) de bewuste beslissing heeft/hebben
gewezen. Anders bestaat het gevaar dat de nalezer geïmponeerd raakt of gemakzuchtig
wordt zodra hij ziet welke rechter(s) een bepaalde beslissing heeft/hebben gewezen.
Toelichting:
Aan deze aanbeveling kleeft het nadeel dat het bijzonder tijdsintensief is. Het grote voordeel
is echter dat op deze wijze de rechtseenheid van het eigen gerecht kan worden bewaakt en
er dus in de toekomst voorkomen kan worden dat op de gesignaleerde punten verschillende
kamers of rechters in gelijke gevallen tot verschillende beslissingen komen.
2.3.3 Meelezen eigen beslissingen
In enkele sectoren bij rechtbanken worden de beslissingen reeds vooraf door een niet bij de
beslissing betrokken rechter/stafjurist aan een review onderworpen: het zogenaamde
meelezen Het verdient de aanbeveling deze mogelijkheid te onderzoeken op haalbaarheid
in de eigen sector. Juist bij een rechtbank werken relatief veel onervaren
rechters/secretarissen en wordt veel aan unus-rechtspraak gedaan. Van het meelezen, dat
weliswaar tijdsintensief is, kan dan een sterke kwaliteitsimpuls uitgaan. Meelezen kan
worden gezien als instrument ter bevordering van de deskundigheid van de rechters.
De projectgroep sluit aan bij algemene definitie voor meelezen van het Rapport
Kwaliteitsnormen:
– Er wordt meegelezen door een collega-rechter of een ervaren juridisch ondersteuner
die niet bij de zaak betrokken is.
De meelezer leest in beginsel slechts de (concept)beslissing. Hij kan er echter voor
kiezen om (delen van) het dossier te raadplegen indien de beslissing daartoe
aanleiding geeft.
Er wordt meegelezen vôôr de beslissing of voordat de op schrift gestelde mondelinge
beslissing wordt verzonden.
Het meelezen betreft contradictoire zaken Verstekzaken, dan wel zaken die
vereenvoudigd worden afgedaan, worden niet meegelezen»
Toelichting:
Aan deze aanbeveling kleeft het nadeel dat het tijdsintensief is. Anderzijds is er juist voor dit
onderdeel in het Rapport Kwaliteitsnormen een norm vastgesteld voor de verschillende
sectoren, zodat daarvoor dus ook budget beschikbaar is.20
19 Raad voor de rechtspraak (16 november 2007), Rapport Kwaliteitsnormen, p. 10.
20 Raad voor de rechtspraak (16 november 2007), Rapport Kwaliteitsnormen, p. 8 e.v.
Pagina 11 van 28
Project reflectie
2.3.4 Sectorbulletin
Het verdient aanbeveling binnen de eigen sector een sectorbulletin of attenderingsbrief te
publiceren Te denken valt aan een tweewekelijks of maandelijks bulletin, waarin onder
meer:
• een selectie wordt besproken van arresten/vonnissen van de Hoge Raad/het
gerechtshof/de rechtbank:
• relevante wetswijzigingen worden besproken:
• praktische aspecten aan de orde komen die direct betrekking hebben op het primaire
proces;
. relevant vaknieuws onder aandacht wordt gebracht of wordt besproken.
De gerechtshoven worden vervolgens ook opgeroepen hun sectorbulletin of
attenderingsbrief onder de rechtbanken binnen hun ressort te verspreiden.
2.3.5 Vakinhoudelijk overleg
Het verdient aanbeveling om bij voorkeur tweewekelijks, maar ten minste maandelijks, per
team en/of kamer (afhankelijk van de grootte/inrichting van de sector) een vakinhoudelijk
werkoverleg van rechters en gerechtssecretarissen te houden, waarin bij toerbeurt iemand
relevante jurisprudentie of een bepaald onderwerp inleidt.
Toelichting:
Er is gesproken over de vraag of rechters en gerechtssecretarissen apart dan wel tezamen
een vakinhoudelijk overleg zouden houden. Voor beide is van alles te zeggen, maar
doorslaggevend is naar het oordeel van de projectgroep uiteindelijk toch dat beide
functionarissen eenzelfde informatiepositie zullen moeten hebben en dat een gezamenlijk
overleg dus gewenst is.
2.3.6 Kennisgroepen
Binnen een sector kunnen kennisgroepen?’ bestaande uit enkele rechters en
gerechtssecretarissen worden ingericht, die tot taak hebben de ontwikkelingen binnen een
bepaald rechtsgebied te volgen. Zij kunnen notities opstellen die – zonodig – ook op de
vakinhoudelijke werkoverleggen kunnen worden besproken. De kennisgroepen kunnen ook
een belangrijke rol vervullen bij de overdracht van kennis aan nieuwe medewerkers binnen
een bepaald deelgebied. Op deze manier blijft specifieke kennis voor een sector
gewaarborgd
Beter nog ware het de kennisgroepen (ook) op ressortsniveau op te richten, waarbij de
kennisgroepen bestaan uit afgevaardigden van zowel een gerechtshof als de rechtbanken.
21 Het Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak uit september 2008 spreekt in dit verband
van vakkringen en heeft hier – onder meer – het volgende over opgenomen: ‘Het (structureel) delen
van kennis gaat het eenvoudigst tussen vakgenoten. Dergelijke (voor een belangrijk deel digitaal
georganiseerde) vakkringen zouden er ook kunnen komen voor (gespecialiseerde) raadsheren en
gerechtsecretarissen ( ..). Nader onderzoek zou kunnen plaats vinden op welke terreinen behoefte is
aan dergelijke kringen en hoe die het beste kunnen worden georganiseerd in die zin dat de kennis
wordt geborgd en (ook) toegankelijk wordt gemaakt voor anderen dan degenen die deel uitmaken van
de kring (van specialisten).”, p. 17.
Pagina 12 van 28
Project reflectie
Op deze manier kan kennis in brede kring worden gedeeld. Dit ondervangt ook de
kleinschaligheidsproblematiek van de kleinere gerechten in een ressort 22
2.3.7 Sectorbrede bijeenkomst/lezing
Organiseer meermalen per jaar een sectorbrede (inhoudelijke) bijeenkomst/lezing waarbij
iemand uit de wetenschap (of een ervaren eigen rechter) de laatste jurisprudentie en andere
rechtsontwikkelingen bespreekt Voor deze lezing zouden ook vertegenwoordigers van de
andere gerechten uit het ressort kunnen worden uitgenodigd. Dit komt de intercollegiale
contacten ten goede.
2.3.8 Court-sessions
Het verdient aanbeveling het organiseren van zogenaamde court-sessions te onderzoeken.
Dit betreft open discussie/brainstormbijeenkomsten waarin aan de hand van specifieke
probleemstellingen uitwisseling van kennis en informatie op verschillende rechtsgebieden
plaatsvindt en richting wordt gegeven. Het gaat hierbij om bijeenkomsten van collega’s
onderling (rechters en gerechtssecretarissen apart) in relatief kleine groepen (10 â 15 man),
maar wel samengesteld uit verschillende teams/kamers. Het kan gaan zowel om
vaktechnische kwesties als om punten ter bevordering van de rechtseenheid binnen de
sector (als verschillende teams/kamers tot andere beslissingen in gelijksoortige zaken
komen), als om het bespreken van zaken die tussen de teams onderling tot vragen
aanleiding geven. Groot voordeel is dat een veilige, laagdrempelige en informele omgeving
geboden wordt voor de bespreking van allerlei zaken, onder meer ‘fouten’ Het zou kunnen
worden gebruikt als een voorportaal voor de (nog te bespreken) interne reflectie uit
hoofdstuk 3.
In de civiele sector van het gerechtshof Arnhem zijn hier goede ervaringen mee opgedaan.
Indien men met dit fenomeen nader kennis wil maken, kan contact worden gezocht met
genoemd gerechtshof.
22 Zie in dit verband ook Hoofdstuk 3.
Pagina 13 van 28
Project reflectie’
Hoofdstuk 3
Systematisch overleg tussen opvolgende instanties
3.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht
Appèlinstanties zouden niet alleen via hun beslissingen met de gerechten moeten
communiceren. Opvolgende instanties kunnen vaker in overleg gaan om over en weer over
kwaliteitsonderwerpen te spreken. Dit geldt zowel voor de Hoge Raad en de gerechtshoven
als voor de gerechtshoven en de rechtbanken. In de Agenda is hierover de volgende tekst
opgenomen:
“Systematisch overleg tussen appelcolleges enerzijds en rechtbanken anderzijds
draagt onder andere bij aan het bevorderen van rechtseenheid. Het doel is vormen te
ontwikkelen die het mogelijk maken dat appelcolleges en rechtbanken optimaal van
elkaar kunnen leren met het oog op kwaliteitsverbetering. Voor de gerechtshoven is
op dit punt overleg met de Hoge Raad geboden.”23
Deze overlegstructuren zijn gericht op het bespreken van vernietigingen en cassaties en om
inzicht te krijgen in de lijn van de jurisprudentie van de hogere instanties. Daarbij moet
bedacht worden dat arresten van de Hoge Raad, al dan niet van commentaar voorzien in
noten of vakliteratuur, doorgaans zodanig gemotiveerd zijn dat daarover geen overleg nodig
zal zijn. Deze zin – uit de projectopdracht – over de arresten van de Hoge Raad is naar het
oordeel van de projectgroep wat ongelukkig geformuleerd, nu dergelijke arresten juist
aanleiding kunnen (en wellicht zelfs moeten) zijn om een overleg tussen een rechtbank en
gerechtshof te entameren. Overleg tussen rechtbanken en gerechtshoven zal in het
bijzonder van belang zijn, wanneer de beslissing van de rechtbank of het gerechtshof niet
binnen de bandbreedte blijft van wat wellicht het best aangeduid kan worden als het
verbazingscriterium, ook wel het bevreemdingscriterium.
3.2 Rol van de gerechtshoven
In het rapport van de Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak zijn door die commissie
drie globale functies van het hoger beroep onderscheiden. De projectgroep sluit zich daar
volgaarne bij aan. In de eerste plaats dient het hoger beroep ter controle van de beslissingen
van de eerste rechter. In de tweede plaats wordt het hoger beroep gebruikt voor het herstel
van fouten en verzuimen die in eerste aanleg zijn begaan. In de derde plaats vervullen de
gerechtshoven een taak bij de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. De drie functies zijn
samengevat in een drietal kernwaarden:
Bewaking van kwaliteit van de rechtspraak;
Handhaving van vertrouwen in de Rechtspraak door rechtsbescherming en
herkansing en;
Ontwikkeling van de Rechtspraak door bevordering van de uniformiteit bij de
toepassing van rechtsregels en aanpassing en vernieuwing van het recht en de
rechtspleging.24
23 Raad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 – 2011, p. 22.
24 Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak, september 2008, p. 4.
Pagina 14 van 28
‘Project reflectie’
Deze drie kernwaarden stralen vanzelfsprekend ook automatisch af op de rechtbanken. In de
wetenschap dat vrijwel al hun beslissingen kunnen worden onderworpen aan het oordeel van
een hogere rechter, zullen zij zich inspannen om niet alleen de juiste wet, regelgeving en
jurisprudentie toe te passen, doch zich ook daar waar mogelijk te conformeren aan de met
die hogere rechter gemaakte (werk)afspraken. Daarbij gaat het niet alleen om de wijze van
inzending van dossiers, of afspraken over het uitwerken van beslissingen, doch ook de
manier waarop een bepaald gerechtshof uitleg heeft gegeven aan bepaalde leerstukken. Dit
laatste vereist een goed, open en regelmatig contact tussen een rechtbank en een
gerechtshof, en dan niet, zoals nu nog veelal het geval is alleen op managementniveau.
Dââr ziet dit hoofdstuk onder meer op.
3.3 Ressortelijke bijeenkomsten
Voorgesteld wordt om per sector (minimaal) tweemaal per jaar een bijeenkomst te
organiseren ten behoeve van vertegenwoordigers van de rechtbanken en het betreffende
gerechtshof: een zogenaamde professionele ontmoeting tussen rechters en raadsheren.
Tijdens de ene bijeenkomst zouden beslissingen van de rechtbanken en het gerechtshof
kunnen worden besproken die bevreemden, ook wel de zogenaamde opmerkelijke
beslissingen. De andere bijeenkomst zou kunnen gaan over een onderwerp dat voortkomt uit
een eerdere bijeenkomst en dat om nadere uitdieping vraag t.25
De tijdens deze bijeenkomsten te bespreken beslissingen behoren te worden ingebracht via
een vice-president inhoudelijk van een rechtbank dan wel van een gerechtshof. De
bijeenkomsten worden door hen gezamenlijk of bij toerbeurt georganiseerd.
De verwachting is dat door deze bijeenkomsten een informeel platform ontstaat dat
drempelverlagend werkt. Het wordt gemakkelijker om elkaar aan te spreken, te bellen, te
e-mailen of anderszins te overleggen. In de ideaalsituatie zou dit er toe moeten leiden, dat
gerechten elkaar zonder enige terughoudendheid over en weer kunnen aanspreken op de
kwaliteit van hun werk. Een rechter moet geen schroom voelen om bij een raadsheer
opheldering te vragen over een bepaalde uitspraak van het gerechtshof. 26 Onderlinge
aanspreekbaarheid vraagt echter wellicht bij enkelen om een cultuurverandering. Van de hier
voorgestelde ressortelijke bijeenkomsten – in welke vorm deze dan ook worden gehouden –
gaat echter ongetwijfeld een sterke stimulans uit om de van oudsher gegroeide afstand
tussen rechtbanken en een gerechtshof te verkleinen. Dat hebben de reeds gehouden
bijeenkomsten in Den Haag, Den Bosch en Arnhem wel bewezen.
De lezingencycli die verschillende rechtbanken en gerechtshoven thans reeds met elkaar
organiseren en waarvoor nu al over en weer vertegenwoordigers van andere instanties
worden uitgenodigd, blijven in dit voorstel behouden.
Voor de verschillende sectoren worden in de navolgende paragrafen specifieke
aanbevelingen gedaan:
25 In verscheidene ressorten zijn er al van dit soort gezamenlijke bijeenkomsten opgestart. Onder
meer in het ressort Den Haag: het ‘Ressortoverleg kwaliteit (civiel)’, in het ressort Den Bosch: diverse
overlegvormen en in het ressort Arnhem; de zogenaamde ‘Returnconference (strafrecht)’.
26 Mogelijk zou als filter voor dit ‘opheldering vragen’ gebruik kunnen worden gemaakt van enkele
vaste aanspreekpunten per sector in de persoon van een vice-president inhoudelijk.
Pagina 15 van 28
‘Project reflectie’
3.3.1 Strafrecht
Voorgesteld wordt om voor de sector strafrecht de besprekingen in op te richten
(ressortelijke) kennisgroepen te laten plaatsvinden. De projectgroep denkt daarbij aan de
volgende indeling:
1. formeel strafrecht;
2. materieel strafrecht;
3. straftoemeting;
4. penitentiair recht;
5. jeugd;
6. verkeersstrafrecht:
7. economie en milieu;
8. fraude;
9. ontneming;
10. voorlopige hechtenis;
11. bijzondere straf raadkamer.
Samenvoeging van enkele deelgebieden kan wenselijk zijn, als de omvang van de
deelnemende gerechten daar aanleiding toe geeft. Voor kleinere sectoren en/of gerechten
kan een onderverdeling in kennisgroepen veel te gedetailleerd zijn om werkbaar te zijn,
eenvoudigweg omdat er te weinig rechters en gerechtssecretarissen zijn om deze te
bezetten. Anderzijds heeft de projectgroep (met betrekking tot de grotere sectoren) door zô
specifiek allerlei kennisgroepen te benoemen ook weer geen volledigheid willen nastreven.
Het is aan de specifieke sectoren zelf 6f en zo ja welke kennisgroepen ze willen inrichten.
3.3.2 Civiel recht
Voorgesteld wordt om voor de sector civiel recht de besprekingen te laten plaatsvinden
binnen de klassieke onderverdeling:
handel;
familie;
kanton.
Binnen het civiele recht zou ook gedacht kunnen worden aan het oprichten van
(ressortelijke) kennisgroepen voor enkele deelgebieden die een specifieke expertise vergen.
Hierbij valt te denken aan kennisgroepen op het gebied van:
– letselschade en medische aansprakelijkheid;
– civiel recht en overheid;
– onteigeningswet, Landinrichtingswet, Wvg en burenrecht;
– Europees recht en mededingingsrecht;
– procesrecht;
– insolventierecht;
– IPR en internationale koop;
– vennootschaps-/ondernemingsrecht;
– bank- en effectenrecht;
– intellectuele eigendom en ICT;
– verzekeringsrecht en vervoerrecht;
– familierecht;
– arbeidsrecht;
– huurrecht.
Pagina 16 van 28
‘Project reflectie’
Samenvoeging van enkele deelgebieden kan wenselijk zijn, als de omvang van de
deelnemende gerechten daar aanleiding toe geeft.
3.3.3 Belastingrecht
Binnen de sectoren belastingrecht zijn de banden tussen de rechtbanken en de
gerechtshoven, vanwege de kleinschaligheid, al behoorlijk goed te noemen en behoeven zij
nauwelijks enige verbetering.
Voorts zijn er onlangs in het kader van het Project Kenniskringen Belastingsectoren Hoven
zeven landelijke kenniskringen gevormd. Zij noemen het kenniskringen om verwarring met
de bij de Belastingdienst bekende term kennisgroepen te voorkomen. Elke kenniskring
bestaat uit een voorzitter en gemiddeld vijf leden, waarbij zoveel mogelijk elk gerechtshof is
vertegenwoordigd. Er is ook aan een intranetsite (samenwerkingsruimte) gewerkt. Deze
draagt de naam Fiscaal Domein.
De zeven kenniskringen zijn:
1. Formeel Belastingrecht (AWR, AWB, algemene beginselen, ATW, Invordering);
2. Heffingen Lagere overheden + Milieu (Provinciewet, Gemeentewet, Waterschapswet,
WOZ, Milieuheffingen (incl. Grondwaterbelasting en Kilometerheffing);
3. Indirecte belastingen (OB + richtlijnen, Accijns, Douane);
4. Inkomensheffingen (LB, IB-niet-winst, Premieheffing incl. internationaal);
5. Internationaal belastingrecht (Europees recht (excl. Vennootschapsbelasting,
Indirecte belastingen, Premieheffingen), internationale verdragen, BVDB);
6. Overige belastingen (Successiewet, BRV,Kansspelbelasting, MRB, BPM, BZM);
7. Vennootschapsbelasting (Vpb + richtlijnen, IB-winst, Dividendbelasting).
Deze kenniskringen zullen vooralsnog alleen binnen de belastingsectoren van de
gerechtshoven functioneren, maar te zijner tijd kan er aan worden gedacht ook de
rechtbanken erbij te betrekken.
3.4 Interne reflectie
Er zijn situaties voorstelbaar dat een zaak binnen een gerecht (alleen binnen een rechtbank
of een gerechtshof) of binnen beide instanties ook na een uitvoerig intern overleg (zie
hoofdstuk 2) alsook na verticaal overleg (zie de voorgaande paragrafen) nog steeds vragen
blijft oproepen. Verder is voorstelbaar dat er bij de betrokken gerechten wellicht geen
vragen/twijfels bestaan over een zaak, doch dat in het publieke, of zelfs politieke debat, zo
een zaak wel veelvuldig de aandacht blijft trekken. De vraag rijst wat er in die gevallen moet
gebeuren. De kop in het zand steken? Overgaan tot de orde van de dag?
Naar het idee van de projectgroep zou het in een dergelijk geval heel verhelderd kunnen zijn
om in het kader van de interne kwaliteitsbewaking een gesprek/overleg te arrangeren tussen
de betrokken rechters, raadsheren en gerechtssecretarissen: een zogenaamde interne
reflectie.27 Binnen zon interne reflectie worden de deelnemers als het ware ‘gedwongen’ om
op de zaak nog eens gezamenlijk te reflecteren. Dat wil zeggen: het nog eens gezamenlijk
beschouwen, overdenken en overwegen van een zaak met inachtneming van alle ‘ruis,
27 Hier wordt alleen in meervoudsvormen gesproken. Naar verwachting zal het immers in vrijwel alle
gevallen gaan om uitspraken die meervoudig zijn gewezen.
Pagina 17 van 28
Project reflectie’
commotie et cetera’ die er over de zaak is ontstaan. Reflectie is immers een normaal proces
van herijking in veranderende omstandigheden. Het met elkaar en anderen (in dit geval: de
kamer van een rechtbank met de kamer van een gerechtshof) in gesprek gaan, levert niet
alleen informatie en nieuwe ideeën op maar draagt ook bij aan inzicht in en begrip voor
verschillende visies op de dagelijkse werkelijkheid.28
De beslissing om een interne reflectie te houden, zou een gezamenlijk besluit moeten zijn
van de bij de zaak betrokken gerechtsbesturen. Met dien verstande dat als het ene
gerechtsbestuur te kennen geeft een interne reflectie te willen houden, het andere bestuur
die beslissing zal moeten respecteren en ‘omarmen’.
De keuze van de projectgroep om de uiteindelijke beslissing bij een gerechtsbestuur neer te
leggen, vloeit eenvoudigweg voort uit hetgeen is bepaald in artikel 23 lid 3 van de Wet op de
rechterlijke Organisatie:
“Het bestuur heeft voorts tot taak binnen het gerecht de juridische kwaliteit en de
uniforme rechtstoepassing te bevorderen. Het voert daarover overleg met een
sectorvergadering of de gerechtsvergadering. Bij de uitvoering van deze taak treedt
het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling
van alsmede de beslissing in een concrete zaak.”
Een gerechtsbestuur draagt aldus de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van
het gerecht. Vanuit die verantwoordelijkheid kan ook in zekere zin de ‘bevoegdheid’ worden
afgeleid om in bepaalde zaken de rechters/raadsheren heel indringend te vragen hun
medewerking te verlenen aan een dergelijk gesprek.
De focus van een interne reflectie wordt in deze rapportage niet nader geëxpliciteerd, want
die hangt sterk af van de omstandigheden van het geval, maar gedacht moet worden aan:
het bespreken van opmerkelijke verschillen tussen de twee beslissingen (waar
komen de verschillen vandaan; zijn er alleen juridische verschillen of hebben ook
andere aspecten een rol gespeeld?);
het komen tot een gestructureerde analyse van het raadkamerproces met het oog op
de toekomst. Niet om (beleids)afspraken te maken, maar om elkaar te begrijpen en
van elkaar te leren.
Teneinde de interne reflectie ordelijk te laten verlopen, zonder dat het bewust of onbewust
wordt ‘gefrustreerd’ door één of meer dominante deelnemers, is het nuttig dit gesprek te
laten leiden door een gespreksleider (te denken is aan een rechter/raadsheer van een ander
gerecht en/of iemand van PRISMA) dan wel het gesprek door iemand te laten observeren.
Van een interne reflectie behoeft geen verslag29 te worden opgemaakt, doch indien er
leerpunten zijn die een brede strekking hebben dan zouden deze – in algemene termen –
aan een vice-president inhoudelijk moeten worden teruggekoppeld. Voorts zou in algemene
termen in bijvoorbeeld het jaarverslag van de Rechtspraak kunnen worden opgenomen in
hoeveel zaken interne reflectie heeft plaats gevonden en wat de belangrijkste algemene
bevindingen zijn.
De deelnemers aan een interne reflectie zullen vooraf begrijpelijkerwijs wellicht last hebben
van ‘koudwatervrees’. Verder is denkbaar dat zij zich door eventueel ‘rumoer’ rond hun zaak
28 Vgl. het rapport van de Stuurgroep Parlementaire zelfreflectie van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal, maart 2009, p. 7 en 8. En waarom zou dat niet ook voor raadsheren, rechters en
gerechtssecretarissen hebben te gelden?
29 Hoogstens een strikt vertrouwelijk intern verslag voor de deelnemers.
Pagina 18 van 28
‘Project reflectie’
hebben laten vangen door een denkfout. Deze is de volgende: ‘Iemand maakt een kleine
fout, maar omdat die kleine fout een heel groot/ernstig gevolg heeft, was het dûs een grote
fout.’ Dit laatste is pertinent onjuist, maar het verklaart vaak wel, waarom mensen vaak
moeilijk over hun ‘fouten’ praten. Deze terughoudendheid, wellicht zelfs angst, dient te
worden weggenomen door de reflectoren en door het bestuur van het eigen gerecht.
3.4.1 Pilots interne reflectie
In het kader van het project zijn in een tweetal zaken ervaringen opgedaan met een interne
reflectie. Zo heeft op 16 maart 2009 in een van oorsprong Zutphense strafzaak een gesprek
plaatsgevonden tussen de rechters van de rechtbank Zutphen en de raadsheren en de
gerechtssecretaris van het gerechtshof Arnhem .30 Deze reflectie werd geleid door een
rechter van de rechtbank Arnhem, daarbij bijgestaan door een medewerker van PRISMA.
• In deze strafzaak was door de rechtbank een gevangenisstraf van vierjaren
opgelegd, terwijl het gerechtshof kwam tot oplegging van een gevangenisstraf van
achttien jaren. Dit grote verschil tussen beide uitspraken hield verband met het feit
dat de verklaring van een bepaalde getuige ter gelegenheid van de behandeling bij
het gerechtshof een nieuw gegeven van feitelijke aard op had geleverd, dat van
doorslaggevende betekenis was. Voorts verschilden beide gerechten van mening
over de vraag of verdachte als een medepleger kon worden beschouwd.
Uit deze reflectie hebben de deelnemers de volgende lessen / conclusies getrokken:
– Alle deelnemers hebben de ‘interne reflectie’ heel nuttig gevonden. Het gaf eenieder
inzichten in de problemen waarvoor elke combinatie zich gesteld zag, en de
bespreking daarvan is nuttig geweest voor toekomstige soortgelijke zaken. Het op
een dergelijke open en toch vertrouwenwekkende wijze praten over je werk is heel
leerzaam en inspirerend.
– Het verdient de voorkeur om een dergelijke interne reflectie (als die door één van de
samenstellingen/gerechten gewenst wordt geacht) zo kort mogelijk na het wijzen van
het arrest te houden, waarbij alle deelnemers (de drie rechters, de drie raadsheren én
de twee gerechtssecretarissen) aanwezig zijn; dan is ook de kennis van de rechtbank
van de zaak en de behandeling en samenwerking nog enigszins “vers”.
– Begeleiding bij deze reflectie werd als nuttig en wenselijk ervaren, vooral ook om niet
te zeer in de casuïstiek te vervallen.
– Een gesprek als dit is ook plezierig voor een rechter om een zaak waarmee men
enkele maanden heel erg intensief mee bezig is geweest als het ware af te sluiten.
Het gesprek kan tevens dienen om de onderlinge band tussen een rechtbank en een
gerechtshof te versterken.
– Het bewaken van het proces (het rechtsgeding zelf) – zodat alle aspecten van de
voorbereiding, het onderzoek ter zitting tot de nabewerking van de betreffende zaak
aan de orde komen – is heel belangrijk. Aan dat proces moet duidelijk leiding worden
gegeven. Bij die bewaking mag tijdsdruk (of beïnvloeding door het management)
30 Helaas konden door omstandigheden de voorzitter en gerechtssecretaris van de rechtbank er niet
bij zijn.
Pagina 19 van 28
Project reflectie’
geen rol spelen. Als iets nodig is voor een juiste beoordeling in een zaak, moet dat
gewoon gebeuren.
In een van oorsprong Arnhemse civiele zaak heeft op 2 juni 2009 een gesprek
plaatsgevonden tussen de rechters en de gerechtssecretaris van de rechtbank Arnhem en
de raadsheren van het gerechtshof Arnhem .31 Deze reflectie werd geleid door een rechter
van de rechtbank Zutphen, daarbij wederom bijgestaan door een medewerker van PRISMA.
• In deze civiele zaak kwamen beide gerechten tot een verschillende waardering van
het voorhanden zijnde getuigenbewijs. Voorts hadden beide gerechten een andere
visie op het leerstuk van de grenzen van de overheidsaansprakelijkheid. Dit leidde tot
twee geheel verschillende uitkomsten. In eerste aanleg waren de vorderingen van
eisers afgewezen, terwijl in tweede aanleg een belangrijk deel van de vorderingen
werd toegewezen.
Uit deze reflectie hebben de deelnemers de volgende lessen / conclusies getrokken:
– Alle deelnemers hebben deze interne reflectie prettig gevonden. Het is waardevol
gebleken om in een setting als deze te praten over je werk.
– Het is van belang dat er een onafhankelijk gespreksleider bij het gesprek aanwezig is
om dat gestructureerd te laten plaatsvinden.
– Over het daadwerkelijke nut van een gesprek als het onderhavige bestaat enige
scepsis. Rechtspraak vindt plaats in meerdere instanties en het kan daarom zo zijn
dat andere rechters heel anders naar een zaak kijken. Daar moet je nu eenmaal mee
leren leven. Anderzijds kan een dergelijk gesprek wel extra inzicht geven in het ‘hoe
en waarom’ van de beslissing van een ander college in dezelfde zaak en dat is op
zichzelf interessant.
– (Voorbereiding van) Een gesprek als dit kost de nodige tijd. Naast het primaire proces
komen er – zo lijkt het – tegenwoordig steeds meer ‘verplichtingen’ bij.
– Een interne reflectie geeft inzicht in elkaars aanpak van een zaak. Dat is interessant
en voorkomt, zo zei men, vooral dat er negatieve beelden over en weer over elkaars
uitspraak gaan ontstaan.
De slotsom van deze pilots is, dat het houden van een interne reflectie heel nuttig kan zijn
om inzicht te verkrijgen in het ‘hoe en waarom’ van de (ogenschijnlijke) verschillen tussen het
betreffende vonnis en het arrest. Voorts kan een helder inzicht worden verkregen in elkaars
werkwijze. Het is een optimale vorm om van elkaar te kunnen leren en om (voor zover nodig)
begrip voor elkaar te krijgen.
Al deze aspecten dragen bij aan een verbetering van de kwaliteit.
De projectgroep realiseert zich dat de verslaglegging van de pilots van de gehouden interne
reflecties summier is. Dat is nu eenmaal inherent aan het vertrouwelijke karakter van die
gesprekken. Niets verzet zich er in een voorkomend geval echter tegen om de hoofdlijnen
van de gehouden interne reflectie desgevraagd openbaar te maken. Zulks is afhankelijk van
de aard van de zaak en de gerezen verschillen.
31 Door omstandigheden kon één van de raadsheren niet aanwezig zijn.
Pagina 20 van 28
‘Project reflectie’
Hoofdstuk 4
Reflectiecomm iss je(s)?
4.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht
In de Agenda van de Raad voor de rechtspraak is over de reflectiecommissie de volgende
tekst opgenomen:
‘(..) Reflectiecommissies
Wanneer er in de Rechtspraak iets mis gaat leidt dat in het algemeen tot grote
commotie in de maatschappij en bestaat het risico van afnemend vertrouwen in de
rechtspraak. De Rechtspraak is het aan zichzelf en de buitenwereld verplicht
incidenten te onderzoeken op wat er eventueel is misgegaan in het proces van
rechtspreken. Een reflectiecommissie, met leden van buiten het betreffende gerecht,
kan leiding geven aan een gestructureerde analyse. Het doel van de analyse is het
leren van fouten op zodanige wijze dat ook verantwoording aan de samenleving
wordt afgelegd. Zonder details van de beraadslaging in raadkamer te onthullen
kunnen algemene lessen naar buiten worden gebracht. Onder regie van de Raad
wordt onderzocht op welke wijze deze commissies het beste kunnen worden
ingericht. ’32
In de projectopdracht is aan de projectgroep verzocht een zogenoemd protocol reflectie te
schrijven. Uit de toelichting blijkt dat er twee situaties worden onderscheiden wanneer een
reflectiecommissie zou kunnen worden ingezet:
Ingeval er sprake is van fundamenteel van elkaar afwijkende uitspraken, die niet
worden veroorzaakt door evidente individuele fouten of door in hoger beroep naar
voren zijn gekomen ‘nieuw’ bewijs. Als mogelijke definitie voor de strafsector is hierbij
gedacht: vrijspraak versus een veroordeling tot vier jaar of meer. Opmerking verdient
dat in de twee recente gevallen waarin door de strafrechter de verkeerde persoon is
veroordeeld, te weten in de Puttense moordzaak en de Schiedammer parkmoord,
rechtbank en gerechtshof het met elkaar eens waren.
2. Ingeval er weliswaar geen fundamenteel verschil van mening bestaat tussen de beide
(of zelfs de drie) instanties, maar waarbij er na verloop van tijd telkens terugkerende
signalen worden gegeven vanuit het Openbaar Ministerie, de politie, de advocatuur,
de kring van wetenschappers, dat ‘iets’ met een bepaalde uitspraak aan de hand is.
4.2 Inleidende opmerkingen
Bij de besprekingen binnen de projectgroep en de klankbordgroep kwam gaandeweg het
volgende beeld naar voren. Het is van belang om goed voor ogen te hebben dat er een
duidelijk verschil — een cesuur — bestaat tussen de instrumenten 1 (hoofdstuk 2) en 2
(hoofdstuk 3), en instrument 3 (hoofdstuk 4)33 Daar waar het bij de instrumenten 1 en 2
(vrijwel alleen) gaat om het leren van beslissingen van hogere rechters en vervolgens, door
het bespreken van die beslissingen, ôôk het leren van elkaar, komt er bij instrument 3 een
ander element om de hoek kijken. Daar gaat het niet alleen om het verbeteren van de
32 Raad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 – 2011, p. 22.
33 Zie de onderverdeling in paragraaf 1.3.
Pagina 21 van 28
Project reflectie’
kwaliteit (die van de Organisatie als zodanig als ook die van de betrokken rechters,
raadsheren en gerechtssecretarissen), maar ook en misschien vooral om het afleggen van
verantwoording aan de samenleving.
4.3 Introductie van reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur?
De ‘Schiedammer parkmoord’ – een ernstig misdrijf dat in het jaar 2000 was begaan en
waarvan kinderen het slachtoffer waren – leidde in 2002 tot een onherroepelijke veroordeling
die later als een gerechtelijke dwaling moest worden aangemerkt. Het feit dat de verkeerde
persoon veroordeeld was, kwam onomstotelijk vast te staan nadat de werkelijke dader in
2004, bij een verhoor in een andere zaak, dit misdrijf bekende. Het College van
procureurs-generaal besloot te laten nagaan hoe deze misslag had kunnen plaatsvinden.
Dat onderzoek werd geleid door advocaat-generaal mr F. Posthumus. Na publicatie van zijn
rapport rees (onder andere in de Tweede Kamer) de vraag of er niet meer strafzaken waren
die als een zogenaamde ‘unsafe conviction’34 beschouwd zouden moeten worden. Dit is
reden geweest voor de Minister van Justitie om samen met het Openbaar Ministerie een
voorziening te treffen waarin onderzoek kan worden gedaan naar dergelijke zaken.35 Door
het College van procureurs-generaal is vervolgens in april 2006 die voorziening – de CEAS
genaamd – ingesteld. Die commissie heeft tot doel om door middel van onderzoek na te
gaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolging en/of de presentatie van
het bewijs ter terechtzitting ernstige manco’s hebben voorgedaan die een evenwichtige
beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan. Om staatsrechtelijke
redenen dient de rol van de zittende magistratuur bij een CEAS onderzoek buiten
beschouwing te blijven.
Door de projectgroep is in een tweetal (interne) tussenrapportages beschreven op welke
wijze reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur zouden kunnen worden
geïntroduceerd. Gedacht werd om naar analogie van het CEAS in bepaalde gevallen een
onafhankelijk onderzoek door een commissie te laten instellen naar zaken die, of intern
(binnen de/het eigen gerecht(en)) of in de publiciteit en/of de vakpers, grote vraagtekens
blijven oproepen, binnen welk onderzoek 5c5k de rol van de rechter werd betrokken.
Door de projectgroep zijn hierbij twee situaties onderscheiden:
Onderzoek door een reflectiecommissie als ‘vrucht’ van een intern en verticaal
overleg.
Er zijn situaties voorstelbaar dat een zaak binnen een gerecht (alleen binnen een
rechtbank of een gerechtshof) of juist binnen beide instanties ook na een uitvoerig
intern overleg (zie hoofdstuk 2) alsook na verticaal overleg (zoals de interne reflectie
uit hoofdstuk 3) nog steeds vraagtekens blijft oproepen. Onderzoek door een
reflectiecommissie zou wellicht uitkomst kunnen bieden om de impasse binnen de
(een) gerecht(en) te doorbreken.
Onderzoek door een reflectiecommissie naar aanleiding van signalen vanuit de
publiciteit en/of de vakpers.
Hierbij gaat het om zaken die in de publiciteit en/of de vakpers, grote vragen blijven
oproepen, ook/zelfs nâdat er binnen de gerechten uitvoerig intern/verticaal overleg
heeft plaatsgevonden en daar ook in enigerlei mate openbaar verslag van is gedaan.
34 Een mogelijk onterechte schuldigverklaring.
35 Handelingen 112004/05, nr. 107, p. 6431-6491.
Pagina 22 van 28
‘Project reflectie’
De gedachte was dat het daarbij in de regel zou gaan om zaken met een
aanmerkelijk gewicht of belang. Een aantal zaken blijft nu eenmaal, vaak ook na
herziening, vragen oproepen bij de wetenschap, de media en/of de vakpers. In een
aantal gevallen is de vasthoudendheid van die personen/instanties ook meer dan
terecht.36 Van een onderzoek door een reflectiecommissie, daarna gevolgd door een
heldere toelichting van een gerechtsbestuur, zou een sterke impuls kunnen uitgaan,
teneinde leerpunten op te sporen en zodoende wellicht het mogelijk afgenomen
vertrouwen in de Rechtspraak te herstellen.
De overige details van bovenstaande gedachten kunnen gelet op het volgende hier verder
onbesproken blijven.
De hierboven enigszins verkort weergegeven gedachten over de introductie van
reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur zijn uitvoerig binnen de projectgroep en
met de klankbordgroep besproken. Na deze besprekingen heeft de projectgroep zich de
vraag gesteld of een dergelijke vorm van reflectie – een onderzoek door een
reflectiecommissie, met daarin mogelijk ook leken en met externe verantwoording – past
binnen het huidige wettelijke stelsel. Uiteindelijk is tot de eensluidende conclusie gekomen
dat dit niet het geval is en dat niet moet worden overgegaan tot de introductie van
reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur. Dit verdient een nadere toelichting die
in paragraaf 4.4 zal worden gegeven.
Het past hier een onderscheid aan te brengen tussen het strafrecht aan de ene kant en het
civiele recht en belastingrecht aan de andere kant. Als het gaat over justitiële dwalingen dan
gaat het vrijwel altijd over strafzaken. Weliswaar komt het wel eens voor dat er rumoer in de
publiciteit ontstaat over civiele zaken en al weer in mindere mate over belastingzaken. Het
gaat daarbij in een aantal van die zaken (met name familiezaken) vaak niet zozeer om
verschil van mening over het vaststellen van de feiten, maar om verschil in taxatie van de
situatie en het doorhakken van knopen (Is de situatie zo ernstig dat er uit huis geplaatst moet
worden? Bij wie van de strijdende ouders is het kind het beste af?). Die taxatie en dat
doorhakken is soms arbitrair. De beslissingen daarover moeten uiteraard goed gemotiveerd
worden, maar controle op de motivering vindt via de gewone rechtsmiddelen al plaats. En
zonodig kan in zo een zaak een interne reflectie gehouden worden.
Binnen het civiele recht en het belastingrecht bestaat bovendien ook het rechtsmiddel van
herziening, maar de ervaring leert dat daar weinig gebruik van wordt gemaakt en dat tot op
heden niet is gebleken dat de huidige herzieningsregeling in die twee rechtsgebieden –
anders dan in strafzaken – tekort schiet. Introductie van reflectiecommissies in deze twee
rechtsgebieden is om deze reden niet noodzakelijk.
Het vervolg van dit hoofdstuk zal alleen over strafzaken gaan.
4.4 Geen introductie van reflectiecommissies
Ons huidige wettelijke stelsel voorziet niet in de mogelijkheid dat er door een commissie een
volledig en onafhankelijk onderzoek naar (de feiten in) een strafzaak wordt gedaan, waarbij
de uitkomsten van zo een onderzoek vervolgens ‘directe werking’ hebben. In het huidige
stelsel zullen de uitkomsten hoogstens aanleiding kunnen zijn om een herzieningsprocedure
te entameren via de procureur-generaal bij de Hoge Raad (dit is ook de gang van zaken na
de huidige CEAS onderzoeken). Het zal een rechter moeten zijn die uiteindelijk het laatste
36 In dit verband wordt gewezen op de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak, welke
zaken door vasthoudendheid van prof. dr. P.J. van Koppen respectievelijk P.R. de Vries als justitiële
dwaling zijn herkend.
Pagina 23 van 28
‘Project reflectie’
woord heeft bij conflicten en niet een commissie. Het openbreken van een onherroepelijke
uitspraak van de rechter is immers een hoogst uitzonderlijke en ingrijpende beslissing. Deze
beslissing moet worden genomen – gezien de aan de feitenrechter toebedeelde
eindverantwoordelijkheid voor beslissingen van feitelijke aard – door een instantie die
voldoende legitimerend is ten opzichte van de feitenrechter, namelijk door de hoogste
Nederlandse rechter.37
Instelling van een reflectiecommissie die buiten het wettelijke stelsel om onderzoek zou gaan
doen naar een zaak die veel maatschappelijke beroering heeft gegeven en waarbij ook
nadrukkelijk wordt gekeken naar de rol van de rechter, zou bovendien tot nog meer
beroering kunnen leiden als de uitkomst van zo een onderzoek (a) niet kan worden ingebed
in het wettelijke stelsel of (b) de procureur-generaal geen aanleiding ziet om een vordering
tot herziening te doen of (c) de Hoge Raad na een mogelijk ‘vernietigend’ rapport van een
reflectiecommissie toch niet besluit tot herziening van de zaak of (d) nâ herziening opnieuw
tot veroordeling leidt.
Let wel, er bestaan dus op zichzelf geen bezwaren tegen onderzoeken naar rechterlijke
uitspraken door commissies met daarin leken, maar voorkomen moet worden dat aan de
justitiabelen valse hoop wordt gewekt, als zouden dergelijke onderzoeken (in het huidige
stelsel) kunnen leiden tot bijvoorbeeld “een vrijspraak of een zuivering van de naam”. Er zal
altijd nog een rechter het laatste oordeel moeten vellen.
Waar het gaat om onherroepelijke uitspraken is herziening hét middel om deze open te
breken. Opmerking verdient, dat de Hoge Raad de laatste jaren het bereik van de herziening
iets ruimer heeft gemaakt. Toch wordt dit buitengewone rechtsmiddel nog als te beperkt
geoordeeld om rechterlijke dwalingen te keren. Wel kan opgemerkt worden dat de twee
eerder genoemde dwalingen – Putten en Schiedam – beide na herziening zijn rechtgezet.
Tijdens de werkzaamheden van de projectgroep werden de contouren van de Wet
hervorming herzieningsregeling in strafzaken bekend. Naar het oordeel van de projectgroep
zal die wet aan justitiabelen, die stellen slachtoffer te zijn van een justitiële dwaling, al die
mogelijkheden bieden om een gedegen nader onderzoek naar hun zaak te laten doen. Het
wetsvoorstel beoogt daarmee structurele oplossingen te bieden, die de instelling van ad-hoccommissies38
zoals CEAS overbodia maakt .39
De vraag is nog opgeworpen of het niet toch mogelijk is om een onderzoek door een
reflectiecommissie te laten verrichten, doch dan nâ afloop van een herzieningsprocedure die
heeft geleid tot heropening van een zaak. Er is dan immers geen samenloop meer en dus
staat niets reflectie meer in de weg, aldus de vraagsteller. Naar het oordeel van de
projectgroep is ook een onderzoek door een reflectiecommissie in dit stadium van de
procedure onwenselijk. Ook indien de Hoge Raad het verzoek tot herziening gegrond acht, is
het nog maar de vraag of de eerdere beslissingen (in het bijzonder die van het gerechtshof)
daadwerkelijk onjuist zijn. Dat zal immers nog moeten onderzocht in de daaropvolgende
procedure bij een ander gerechtshof. Mocht daar vast komen te staan, dat er inderdaad
‘fouten’ zijn gemaakt in de eerdere beslissingen dan is het uiteraard gewenst dat zulks in een
voor eenieder begrijpelijke en aanvaardbare taal wordt uiteengezet in het arrest. Voorts is
het van het hoogste belang dat dât arrest (en het arrest van de Hoge Raad waarin de
herziening is bevolen) door de eerste rechters wordt bestudeerd en besproken (zie daartoe
paragraaf 2.3.1), opdat zij daaruit lering kunnen trekken.
37 Vgl. P.A.M.. Mevis, Verruiming van de herzieningsregeling?, DD 2007, p 239-250.
38 Reflectiecommissies zouden daar in de toekomst mogelijk ook onder hebben kunnen vallen.
39 Memorie van Toelichting, p. 4.
Pagina 24 van 28
Project reflectie’
4.5 Wet hervorming herzieningsregeling
De huidige strafvorderlijke herzieningsprocedure biedt – naar inmiddels wel algemeen wordt
aangenomen – onvoldoende bescherming tegen rechterlijke dwalingen en fouten Vooral
naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord is daarom aangedrongen op en gewerkt
aan een hervorming van de herzieningsregeling. Dit heeft in juli 2008 geleid tot een
conceptwetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met een
hervorming van de herzieningsregeling (Wet hervorming herzieningsregeling)’. Het
wetsvoorstel beoogt de rechtsbescherming van burgers die ten onrechte zijn veroordeeld te
verbeteren door een modernisering van de herzieningsregeling
De nieuwe regeling van de herziening, die momenteel bij de Raad van State ter advisering
ligt, houdt een verruiming in ten opzichte van de geldende herzieningsregeling. Die
verruiming zit met name in het onderzoek dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan
gelasten naar de feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake
is van een novum. Dat wil zeggen: een feit of bewijsmiddel dat bij het onderzoek ter
terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger
geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige
vermoeden ontstaat dat indien dat feit of bewijsmiddel bekend zou zijn geweest, het
onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het
openbaar ministerie, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een
ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder zware
strafbepaling40.
Niet alleen de onderzoeksmogelijkheden houden een verruiming in, ook het novumbegrip
zelf wordt verruimd, daar waar het – kort gezegd – gaat om ‘nieuw’ deskundigenbewijs.4
Naar verwachting zal nu juist de eerstgenoemde nieuwe mogelijkheid, het doen van nader
onderzoek naar een novum door een onafhankelijk, deskundig en daartoe goed toegerust
ambt – zoals de procureur-generaal bij de Hoge Raad toch wel moge gekenschetst –
voorzien in een sterke behoefte die er ten aanzien van een aantal strafzaken bestaan.
Het conceptwetsvoorstel houdt op dit punt in hoofdlijnen het volgende in, waarbij nadrukkelijk
zij opgemerkt dat in deze rapportage zeker geen volledige bespreking van het betreffende
conceptwetsvoorstel wordt nagestreefd .42
Indien het om ernstige misdrijven gaat kan een gewezen verdachte ter voorbereiding
van zijn herzieningsaanvraag bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad een
verzoek indienen tot een nader feitelijk onderzoek. Onder omstandigheden is de
procureur-generaal verplicht dit verzoek toe te wijzen (Artikel 461 [feitelijk onderzoek ter
voorbereiding van een herzieningsaanvraag]).
Voorafgaand aan een beslissing over het verzoek tot een nader feitelijk onderzoek
kan de procureur-generaal dit verzoek voorleggen aan een adviescommissie
(vergelijkbaar met de huidige toegangscommissie van de huidige CEAS). In die
commissie kunnen ook deskundigen worden benoemd. Tenzij het verzoek tot nader
onderzoek niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, is de procureur-generaal
verplicht advies in te winnen van de adviescommissie indien de verzoeker is
° Artikel 457 [gronden voor herziening] eerste lid, aanhef en onder c Sv (van het
conceptwetsvoorstel).
41 Memorie van Toelichting, p. 19 en 20.
42 Memorie van Toelichting, p. 5.
Pagina 25 van 28
Project reflectie’
veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan tien jaar (Artikel 462 [advies over
instellen nader onderzoek/adviescommissie]).
– Bij de uitvoering van het nader feitelijk onderzoek kan de procureur-generaal bij
de Hoge Raad zich laten bijstaan door een onderzoeksteam. Indien nodig kan dit
team worden aangevuld met externe deskundigen en/of leden van het Openbaar
Ministerie. Bovendien krijgt de procureur-generaal de bevoegdheid een
gerechtelijk vooronderzoek te doen openen (Artikel 463 [uitvoering nader feitelijk
onderzoek/rechter-commissaris of onderzoeksteam]).
– De procureur-generaal kan dus, op verzoek van een gewezen verdachte, al
voordat er een herzieningsaanvraag is ingediend, een diepgravend feitenonderzoek
verrichten waarbij betrokken kunnen worden
a. een adviescommissie, die kan adviseren over de noodzaak van een nader
onderzoek en de vraagstelling van een dergelijk onderzoek;
b. een onderzoeksteam dat feitelijk het nader onderzoek in opdracht van de
procureur-generaal uitvoert en/of
c. een rechter-commissaris
En dit laatste is toch eigenlijk wat een reflectiecommissie zou moeten doen: een diepgravend
(feiten)onderzoek naar/in bepaalde zaken. Voor strafzaken die om wat voor een reden dan
ook het predicaat ‘justitiële dwaling’ of dubieuze zaak’ hebben verkregen, gloort er wat dat
betreft licht aan de horizon.
Een reflectiecommissie kan ten slotte ook – daar waar het strafzaken betreft – in het
vaarwater komen van de adviescommissie en/of het onderzoeksteam zoals die zijn
voorgesteld in het conceptwetsvoorstel Wet hervorming herzieningsregeling.
Ervan uitgaande dat de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot het gelasten van zo’n
diepgravend feitenonderzoek ruim opvat, rijst immers de vraag welke ruimte er nog zou zijn
gebleven voor een reflectiecommissie. Immers, wanneer er na een onderzoek als even
bedoeld, geen sprake blijkt te zijn van een novum, wat houden we dan over? Dan is er
klaarblijkelijk niets nieuws en moeten we terugvallen op de inhoud van het dossier. Dat
betekent dat de rechter wiens oordeel in twijfel wordt getrokken daarmee reeds bekend was
en dat er dan slechts een verschil van mening rest omtrent de selectie van het
bewijsmateriaal en/of de daaraan verbonden gevolgtrekkingen.
De Rechtspraak moet overigens niet de illusie hebben, ook niet straks na invoering van de
nieuwe herzieningsregeling, dat alle rumoer rond strafzaken zal verstommen. Er zullen nu
eenmaal altijd zaken blijven, die zelfs ook na herziening (in de huidige en de toekomstige
regeling) rumoer zullen blijven opleveren. Te denken valt aan de Deventer moordzaak. Na
een herziening door de Hoge Raad veroordeelde het gerechtshof Den Bosch verdachte
opnieuw ter zake van moord Daarmee was evenwel de kritiek niet verstomd. De
Rechtspraak zal er dan ook mee moeten leven dat sommige mensen over een aantal zaken
anders (blijven) denken en ter zake actie blijven voeren.
Pagina 26 van 28
Project reflectie’
4.6 Slotopmerkingen
Naar het oordeel van de projectgroep moet niet worden overgegaan tot een met het
wettelijke stelsel op gespannen voet staande externe reflectie Dit geldt te meer nu de straks
verruimde regeling van herziening voldoende lijkt te voorzien in de behoefte om mogelijke
strafrechterlijke dwalingen te onderzoeken en recht te zetten.
Uiteraard zitten er nog wat weeffoutjes in het conceptwetsvoorstel – zoals bijvoorbeeld al
aangegeven door de Raad voor de rechtspraak43 en de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak44 -, maar naar verwachting zullen deze alle worden hersteld in het komende
proces van wetgeving.
43 Advies 2008132 van 7 oktober 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
” In haar advies d.d. 13 oktober 2008 aan de Minister van Justitie (Kenmerk: 366, Wetsvoorstel
Hervorming Herzieningsregeling 2008)
Pagina 27 van 28
Project reflectie’
Hoofdstuk 5
Aanbevelingen
Hieronder wordt een aantal aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen zouden naar het
oordeel van de projectgroep bij alle gerechten moeten worden ingevoerd, voor zover dat al
niet gebeurd is. De overige aanbevelingen en voorstellen zoals die in deze rapportage zijn
gedaan, worden uiteraard ook van harte aanbevolen.
1. Neem kennis van alle eigen beslissingen die zijn beoordeeld door een hogere rechter
(zoals beschreven in paragraaf 2.3.1)
II. Ga over tot de invoering van een vorm van periodiek vakinhoudelijk werkoverleg (zoals
beschreven in paragraaf 2.3.5).
III. Treedt vaker dan nu het geval is in overleg met de rechtbank respectievelijk het
gerechtshof uit het ressort om over en weer over kwaliteitsonderwerpen te spreken
(zoals onder meer beschreven in paragraaf 3.3).
IV. Het houden van één of meer interne reflecties per jaar per sector wordt van harte
aangeraden. De bevindingen en ervaringen die hierin worden opgedaan door de
betrokkenen zijn van onschatbare waarde voor het dagelijkse werk (zoals beschreven
in de paragrafen 3.4 en 3.4.1).
Het vertrouwen van de samenleving is een (noodzakelijke) voorwaarde voor goede
rechtspraak. Dat vertrouwen is echter geen maatschappelijk gegeven. Dat moet telkens weer
verdiend of herwonnen worden. Voor incidenten en dreigende incidenten mag/kan de
Rechtspraak dan ook niet haar ogen sluiten Door als rechter/gerechtssecretaris in enigerlei
vorm te reflecteren op je werk en dat in voorkomende gevallen ook zichtbaar te maken aan
de samenleving, kan vertrouwen dat mogelijk afgenomen of geschonden is weer worden
herwonnen.
Mochten er naar aanleiding van deze rapportage vragen zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot
één van de aanbevelingen (Hoe organiseren we een interne reflectie?), dan kunt u contact
opnemen met de projectsecretaris van de projectgroep (m.ouweneeI2@rechtspraak.nl).
Pagina 28 van 28

Ombudsman is Vernietigend over Justitie

2013/02/20 in Uncategorized

De ombudsman heeft grote moeite met de onbereikbare en arrogante houding van het ministerie van Justitie. Daaronder begrepen de gehele zittende magistratuur en het OM.

http://www.nrc.nl/nieuws/2013/02/19/ombudsman-justitie-staat-niet-open-voor-kritiek/

Wij roepen ook in herinnering wat mr Pieter van Vollenhoven te melden had. Het feit dat hij onder ministeriele verantwoordelijkheid zo voorzichtig moest formuleren, betekent veel. Met dat in gedachten kan men de rapporten van Van Vollenhoven als het uitschreeuwen van onveiligheidsbesef lezen.

Ook voorgaande jaren was de ombudsman negatief over Justitie. Blijkbaar wil men zich daar door zijn legitieme bevindingen niet tot enige substantiele professionalisering laten aanmoedigen.

justitieslachtoffers.nl

Gepest in de Zorg. Volhouden om Kwaliteitsonderzoek te doen.

2013/02/20 in 200 Jaar Ongewijzigd, Advocatuur, Autoriteit Toezicht Jeugdzorg, Autoriteit Toezicht Rechtspleging, Beperking Toegang Recht, Civiel Recht, Deskundigen

Er blijkt bij hulpverleningsorganisaties en zorgverleningsorganisaties in het algemeen een schijnopenheid te zijn. Zogenaamd vindt men het belangrijk om klantvriendelijk en open met vragen en klachten om te willen gaan.

Recent bleek mij door afstemming met klokkenluiders in de geestelijkgehandicaptenzorg dat de wijze van pesten van clienten en zorgers van clienten vrijwel identiek is als de wijze van pesten in de jeugdzorg. Er zijn zelfs al aanwijzingen dat in de ouderenzorg en geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen hetzelfde te zien is. Tot mijn grote ontsteltenis blijkt de wijze van ketencorrumpering in de tbs-inrichtingen en penitentiaire inrichtingen vrijwel identiek te verlopen. De bureacratische ongevoelige, routinematige goedkeuring van tbs-verlengingsverzoeken door de rechter, blijkt een exact evenbeeld van de bizarre, routinematige goedkeuring van verzoeken voor verlenging van OTS. Het grote verschil bij de OTS voor jeugdigen is dat de initiele toekenning ook een routineuse, kritiekloze handeling is van de rechter. Vele studenten in HBO en WO-onderwijs zien hier meteen de getoonde video van Milgram. Als we ons niet te veel met een slachtoffer hoeven te identificeren, dan zijn we bijna zonder uitzondering allemaal in staat tot het toebrengen van dodelijk letsel. We praten meer goed naarmate er meer mede-pesters in onze groep hetzelfde zeggen en doen (Asch).

Toen ik de voormalige president van de rechtbank Zutphen over waarheidsvinding en de eindverantwoordelijkheid van de kinderrechter interviewde kwam mr. G. Vrieze met het argument van de “lijdelijke rechter in het civiel recht”. Op dit moment staat dat zelfs op de site rechtspraak.nl. Deze site blijkt ook oorspronkelijk erg veel het geesteskind van Vrieze te zijn geweest. Eerlijk is eerlijk, daarvoor wil ik persoonlijk Vrieze heel veel lof toezwaaien.

Maar het verhaal van de “lijdelijke rechter” klopt totaal niet. Het is waar dat de rechter niet mag weigeren om recht te spreken. Ook al vind een rechter een wet onuitvoerbaar, hij moet een uitspraak over de voorgelegde rechtsvraag doen. Zoals eerder beschreven, heeft hij een noodprocedure waarbij hij jurisprudentie mag creeren of mag volgen om tot een uitspraak te komen.

Met “lijdelijke rechter” wordt bedoeld dat het aan de partijen is om (al dan niet via een verplichte advocaat) de werkelijkheid bij de rechter onder de aandacht te brengen. Belangrijk in een college van Vrieze was: iedere partij dient gelijke toegang tot de rechter te hebben. Daar houdt Vrieze zich dus bewust weer geheel van de domme. Hij probeert eraan voorbij te gaan dat in de jeugdzorg de Raad voor de Kinderbescherming en BJZ steeds een 24-uurs toegang tot de kinderrechter hebben. Niets gelijke toegang dus. In de sfeer van TBS en penitentiare inrichtingen is er ook een 24-uurs toegang tot de rechter via het OM. Ook daar weer niet een gelijke toegang tot de rechter.

Het OM heeft directe toegang tot een rechter-commissaris, maar een verdachte of veroordeelde niet. De rechter-commissaris heeft geheime gesprekken met politie-functionarissen. De rechter-commissaris kan onderzoeken zo inrichten als het hem goed dunkt. Hij mag er zo lang over doen als hij wil. Hij mag het zo lang laten liggen als hij wil. Hij mag er de personenen in betrekken die hij wil. Het wordt een verdachte of veroordeelde niet toegestaan om bij een verhoor van een politiefunctionaris aanwezig te zijn. Als hij geluk heeft, is zijn advocaat bij een verhoor of andere onderzoekshandeling aanwezig. Advocaten blijken daar allerlei diensten gewoon simpelweg te kunnen weigeren. Advocaten weten heel goed dat de Orde van Advocaten bij klachten daarover zich feitelijk niet in de zaak wil gaan verdiepen. Met een schitterend eufemistisch woord voor “niet de zaak inhoudelijk willen bekijken”, noemt men dat: marginaal toetsen. Dhr. mr. Hoeksema heeft hierover al het nodige aan het parlement gerapporteerd. Over gelijke toegang tot de rechter gesproken. De rechter-commissaris stelt zijn onderzoeksbevindingen in de mij bekende gevallen niet eens aan de verdachte of veroordeelde (of diens advocaat) in afschrift ter beschikking. Alleen de collegiale rechter die in de hoofd-procedure heeft te oordelen, krijgt de bevindingen.

Ofwel advocaten kunnen hun gang gaan. Kan je disfunctioneren van advocaten dan aan de rechter voorleggen? In theorie ja. Maar ik beschik persoonlijk over een concrete procedure bij de kantonrechter, waarin de rechter “niets doen en niet communiceren (tussen advocaat en zijn client)” goedkeurt. Betreffende rechter keurde zelfs de hoogte van de declaratie goed waarin meer dan 24 uren in een etmaal werden gedeclareerd. Ik kende alleen het grapje onder advocaten. Dat een rechter dit ook werkelijk zou besluiten, had ik natuurlijk uitgesloten. Dat alles dus in het kader van de “lijdelijke rechter” die zich niet al te druk mag maken om actief op zoek te gaan naar de waarheid. Het aantal beschikkingen van procespartijen waar al op basis van oppervlakkige studie bepaald kan worden dat het civiele dwalingen zijn, is enorm. Heel veel partijen gaan niet in beroep in verband met gebrek aan vertrouwen of in verband met het ontbreken van de middelen daarvoor. Hoogleraren die studenten werkelijke beschikkingen laten nalopen op juistheid komen tot schokkende bevindingen.

Zodra iemand met een verweer gaat komen dat iedereen weer een eigen waarheid kan hebben, is de werkelijke reden meestal dat de echte argumenten tekort schieten. Dat is een argumentatie voor een gelovige dat God toch echt zou kunnen bestaan, hoewel we nooit harde bewijzen te zien krijgen als we erom vragen. Het is het argument van wetenschappers die geen hard, empirisch onderzoek op basis van herhaalbare waarnemeningen kunnen doen. Dhr. Stapel, andere sociaal-psychologen en andere gedragswetenschappers neigen wel eens tot dit argument. Beta-wetenschappers … halen hier veelal hun neus voor op.

De meting van een snelheidsovertreding is echt 1 waarheid. De rechter heeft geen boodschap aan uw eigen andere waarheden. Een niet betaalde rekening van 100 Euro, blijft een bedrag van 100 Euro. De som van 1 en 1 blijft 2. Als uw waarheid een andere is dan doet die er niet toe.

De rechter is vaak erg eerlijk en duidelijk. De waarheid van een politie-agent is voor hem meer waar dan uw waarheid. De agent is daar zelfs voor beedigd. De waarheid van medewerkers van zorg-instelingen blijkt voor het gemak door de rechter ook een hoger waarheidsgehalte te hebben gekregen. Niet voor niets wordt er voor gepleit om gezinsvoogden ook een eed te laten afleggen. Krijgen we meer integere bankiers als ze een eed hebben afgelegd? Zijn politie-agenten zorgvuldiger geworden in hun processen verbaal? Zijn beeidigde taxateurs juistere waardebepalingen gaan afgeven? Is er ooit onderzoek naar gedaan?

Alle medewerkers weten dat de rechter blind vaart op hun rapportages. Vanuit kwaliteitsmanagement is het een absoluut gegeven dat daar een zeker “oprekken van de waarheid” gaat ontstaan. Dat is een statistische zekerheid, niet een geringe waarschijnlijkheid. Iemand die vrijelijk kan verklaren en daar nooit enige controle op ontmoet, zal een grote vrijheid gaan nemen. De algemene zekerheid is steeds: er zal gejokt gaan worden.

Volksvertegenwoordigers hebben duidelijk gemaakt dat de rechter goed moet checken of deskundigen en andere medewerkers bij ketenpartners van justitie de waarheid spreken en naar waarheid (volledig, tijdig en juist) over bijvoorbeeld kinderen verklaren.

Nu blijkt dat in diverse ketenprocessen de rechter weigert om de wet uit te voeren. Als laatste in de keten durft zelfs de rechter te verklaren dat hij zich niet (meer) geroepen voelt om waarheidsvinding te doen.

In mijn colleges rechten heette dat nog: de rechter begaat een onrechtmatige daad, subsidiair een strafbaar feit, meer subsidiair een ambtsdelict, meest subsidiair … het halsdelict voor een rechter.

Nu begint mij duidelijk te worden waarom diverse hoogleraren niet zo’n hoge pet op hebben van advocaten en van rechters. Dat is erg jammer. Ik had heel graag nog een poosje in dat sprookje willen blijven geloven. In geschrift zal ik hier geen namen van hoogleraren noemen. In klein commite zal ik even vrij durven spreken als de betreffende hoogleraren. Dit is een moment dat ik me realiseer hoe ongelofelijk kostbaar vrije meningsuiting is. Van de andere kant realiseer ik me hoe enorm uit de hand gelopen de terreur in de ketenprocessen met de rechter zijn.

Zonder volledig te zijn, wie zij slachtoffer van deze gecorrumpeerde ketens? Ik noem:
– onze kinderen in de jeugdzorg
– onze (geestelijk) gehandicapte medemens in een zorginstelling
– onze veroordeelden in tbs- en penitentiaire inrichtingen
– onze patienten in medische zorginrichtingen (zoals ziekenhuizen)
– onze clienten in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg
– …

Het inrichten van toezicht moeten we echt ter hand nemen. We moeten er niet alleen over praten.

Met deze wetenschap verbaast het mij niet meer dat de president van de rechtbank Zutphen zonder enige collegiale gene liet passeren dat de veroordeelden in de Puttense moordzaak op basis van ondeugdelijk deskundigen onderzoek, onschuldig een levenslang uitzaten.

Bij nuchter onafhankelijk kwaliteitsonderzoek mag van mij een eed of belofte verder achterwege blijven. Laten we gewoon blijven herhalen dat jokken niet mag. En pesten ook niet!

Radeloze vader
oscar1966@live.nl

Gevallen rechtbankpresident Gert Vrieze door het hof terecht gewezen. Citaat Vrieze: “Rechter hoeft niet aan waarheidsvinding te doen.”

2013/02/19 in Autoriteit Toezicht Rechtspleging

Het blijkt ondertussen een patroon. Tegen de tijd dat rechters met pensioen mogen, wanen zij zich God zelve. Vandaag kwam het bericht dat Gert Vrieze zijn plaats als rechter dient te kennen volgens het hof.

Samen met een journalist van Wegener kon ik uit de mond van Gert Vrieze optekenen dat hij vindt dat een rechter niet aan waarheidsvinding hoeft te doen. Hij liet zijn gehoor in verbazing en vertwijfeling achter.

Enkele maanden later deed Gert Vrieze de bizarre uitspraak als voorzieningenrechter (kort geding). De burgemeester van Vorden (gemeente Bronckhorst) werd verboden om langs bepaalde graven op de begraafplaats te lopen.

In de Gelderlander vandaag, 19 februari 2013. link naar Artikel.
Ouder bericht. link naar Artikel.

Hulde aan de journalisten die deze zaak verder volgden. Laten we eens niet de boodschapper verantwoordelijk maken en de zender van de boodschap aanspreken.

 

Radeloze Vader
oscar1966@live.nl

===============================================================
Exerpten uit de auteursrechtelijk beschermde artikelen, om wetenschappelijke reden en  met bron:

‘Aalderink weigert dialoog dodenherdenking’

Geplaatst in Gelderlander op: 09 juni 2012
Henk Aalderink heeft een permanente vlaggenparade op zijn bureau met alle vlaggen van de Europese Unie-landen. foto Theo Kock
foto Theo Kock

VORDEN/AMSTERDAM – De kleine Joodse organisatie Federatief Joods Nederland (FJN) is teleurgesteld in de opstelling van burgemeester Henk Aalderink van de gemeente Bronckhorst. Aalderink wordt door de club die het kort geding tegen de gemeente over de omstreden dodenherdenking in Vorden aanspande verweten dat hij de rechtsgang verkiest boven de dialoog.

“Hij heeft de kans laten lopen om met diverse betrokken partijen in debat te gaan over de toekomst van 4 mei”, zegt woordvoerder Victor Loonstein, zoon van voorzitter en advocaat Herman Loonstein van FJN.

Exerpt uit Bericht van vandaag 19 februari in De Gelderlander:

ARNHEM (ANP) – De voorzieningenrechter in Zutphen heeft burgemeester Henk Aalderink en zijn ambtenaren ten onrechte verboden langs een graf met Duitse soldaten te lopen tijdens de dodenherdenking in Vorden, op 4 mei vorig jaar.

 

Dat heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dinsdag bepaald in het door de gemeente Bronckhorst aangespannen hoger beroep.
Volgens het hof had de voorzieningenrechter onvoldoende reden om in te grijpen in de lokale herdenking op 4 mei. Het Comité 4 Mei Vorden besloot vorig jaar in overleg met de gemeente om tijdens de dodenherdenking in Vorden voor het eerst ook langs een graf met gesneuvelde Duitse soldaten te lopen. Deelnemers aan de herdenking konden kiezen of zij dat na afloop van de officiële ceremonie ook wilden.
Respectloos
De organisatie Federatief Joods Nederland (FJN) vond dat plan respectloos, spande een geding aan en werd in het gelijk gesteld. De gemeente hield zich aan het verbod, maar ging in hoger beroep omdat burgemeester Aalderink vond dat de voorzieningenrechter zich te veel mengde in plaatselijke aangelegenheden. Het hof gaf hem daarin dinsdag gelijk.
===============================================================

Ook Ketenproces in Geestelijk Gehandicaptenzorg gecorrumpeerd. Voorstel voor Jurisprudentie Kamer.

2013/02/19 in 200 Jaar Ongewijzigd, Autoriteit Toezicht Jeugdzorg, Autoriteit Toezicht Rechtspleging, Onafhankelijk Toezicht

Op Nederland 1 bij Studio Max Live kwam vandaag (rond 13u.15) weer een vader aan het woord met horror belevenissen met Justitie en ketenpartners. Dit keer in de Gehandicaptenzorg.

Vader Egbert Schroten vraagt sinds 2005 aandacht voor het tekort schieten van de zorg aan zijn verstandelijk beperkte zoon. Ook moeder verwoordde wat er aan de hand is.

Egbert Schroten is Voorzitter van Klokkenluiders. Meer voluit: de stichting
Klokkenluiders (Verstandelijk) Gehandicapten Zorg. De lezer is bij deze ook verwezen naar een artikel:
Trouw 30 maart: Klachten zorg serieus nemen!
Gepubliceerd op 03/04/2012
http://www.kansplus.nl/2012/04/03/artikel-trouw-30-maart-klachten-zorg-serieus-nemen/
Een andere actieve vader in deze stichting is:
Ko Orlebeke, emeritus hoogleraar biologische psychologie. Hij is secretaris.

In de casus van vader Egbert Schroten gaat het om de zorginstelling Philadelphia.

De structuren voor medische zorg, jeudzorg, ouderenzorg en gehandicaptenzorg blijken veel congruente onderdelen te hebben. Bepaalde onderdelen zijn exact dezelfde.

Ook hier is te zien hoe belangrijk de eindverantwoordelijkheid van de rechter is. Aangezien de dagelijkse zorg door onderaannemers wordt uitgevoerd, valt de verantwoordelijke rol van de rechter niet of nauwelijks op. Uiteindelijk is het natuurlijk de politiek die de controle en de wet- en regelgeving niet goed op orde heeft gebracht. De politiek weet nog steeds niet op welke wijze ze zich verantwoordelijk kan maken voor een juiste controle op de rechter.

Politici zijn eigenlijk totaal niet op de hoogte van het wettelijk kader dat voorgaande volksvertegenwoordigers hebben geschapen. Het wordt dan heel logisch dat de politiek totaal vergeet om te toetsen of de goed bedoelde wetten ook werkelijk worden uitgevoerd. De politiek is in een naieve veronderstelling dat de rechter de rol van handhaver van de wet op zich neemt. Korte onderzoeken in het veld geven meteen het onweerlegbare beeld dat de rechter juist de eerste blijkt te zijn die de wetten irrelevant verklaart. Steeds weer valt op dat de eigen wet van de rechter de enige belangrijke leidraad voor de rechter vormt, namelijk de jurisprudentie. Rechters beargumenteren hun keuzes feitelijk alleen met keuzes van collega-rechters in voorgaande (vergelijkbare) gevallen. Dan valt regelmatig op dat rechters zich luk raak beroepen op uitspraken waarvan ook al 1 of meer spiegelbeeldige uitspraken in de jurisprudentie bestaan. Kortom in de jurisprudentie weet de rechter altijd een uitspraak te vinden die uitkomt op de uitspraak die de rechter zelf in zijn hoofd had. De rechter argumenteert feitelijk toe naar de uitspraak die hij aan het begin van zijn oordeelsvorming als doel heeft geformuleerd. Iedere serieuze rechtsgeleerde en iedere wetenschapper zal onmiddelijk stellen dat oordeelsvorming zo niet mag werken. De praktijk is helaas een andere. Rechters zouden zich op dat punt prima kunnen verweren. Ze zouden bijvoorbeeld uitgebreider hun juridische argumentatie in een beschikking kunnen opnemen.

Er is om bovenstaande redenen direct een logisch voorstel te doen: de Jurisprudentie Kamer. Het ministerie zou een instelling kunnen oprichten die toetst welke beschikkingen als jurisprudentie dienen te worden aangemerkt op basis van een uitgebreide, duidelijke, juiste argumentatie. Het zou zo moeten worden dat niet alle beschikkingen meteen ook jurisprudentie worden. Er moeten duidelijk kwaliteitscriteria aan jurisprudentie-beschikkingen worden gesteld. Dat moet gelden voor strafrecht-beschikkingen en voor civielrecht-beschikkingen.

De Jurisprudentie Kamer zou ook een soort van proef-procedures kunnen aanwijzen. Dat wil zeggen dat zij terreinen moet aanwijzen waar noodzaak van jurisprudentie is te verwachten. Dat zij meer tijd en middelen beschikbaar laat stellen om uitgebreidere argumentatie in beschikkingen mogelijk te maken. Dat zij verantwoordelijkheid neemt om beoogde jurisprudentie te toetsen tegen een aantal kwaliteitscriteria. Bekend is dat er al beleid is geformuleerd om de argumentatie in strafrecht-beschikkingen in het algemeen beter en uitgebreider te laten vastleggen. Het ligt voor de hand dat het civiel recht hier moet volgen. Het ligt ook zeer voor de hand om een aantal deskundige, niet beroepsmatig juridisch actieve burgers in deze Kamer te laten opnemen. Een onafhankelijke positie en een eindverantwoordelijkheid aan volksvertegenwoordigingen is ondertussen een voor de hand liggende eis.

De Jurisprudentie Kamer zou binnen het nieuw in te richten Toezicht Rechtspleging een duidelijk onderdeel kunnen vormen van de in te richten verbetering van parlementair toezicht op de rechtspleging. Na 200 jaar is het afbouwen van de Trias Politica geen overbodige luxe.

De nieuw op te richten Burgerautoriteit Toezicht Rechtspleging kan naast deze Jurisprudentie Kamer ook overeenkomstige taken uitvoeren als de Nationale Ombudsman. Nadrukkelijk dient deze autoriteit meer mogelijkheden te krijgen om wel naar individuele procedures van individuele burgers te kunnen kijken.

Zijn rol als klokkenluider stelt Egbert Schroten als volgt voor:
– individuele dossiers in gehandicaptenzorg analyseren
– de verschillende dossiers rubriceren per soort
– per soort de dossiers bundelen en daarbij adviseren
– adviezen aanbieden

Dhr. Schroten constateerd dat er steeds wordt geprobeerd om klokkenluiders te isoleren en voor te stellen dat de klokkenluider een zeldzaam unieke klacht heeft. Er wordt veel aangedaan om te voorkomen dat een klokkenluider lotgenoten kan ontmoeten. Hij beschrijft zijn ervaringen met de Nationale Zorgautoriteit en met de Inspektie Gezondheidszorg (IGZ).

De BTR kan ook een adviserende rol in het wetgevingsproces spelen die overeenkomt met Raad van State en Eerste Kamer. Zij kan signaleren dat wetten te kort schieten, omdat er opvallende aantal jurisprudentie-beschikkingen nodig blijken. Jurisprudentie dient tenslotte een “noodverband” van de rechter te blijven. Zodra de rechter zich structureel alleen op jurisprudentie blijkt te baseren, is duidelijk dat de wet tekort schiet. Of de rechters schieten te kort. Dat laatste is in de huidige beelvorming nog vrijwel onmogelijk. De gemiddelde burger wil graag blijven geloven in de onfeilbare rechter. Maar helaas … zoals zo vele sprookjes … De onfeilbare rechter is … een achterhaald … sprookje. Iedere goede, serieuze rechter zal dit als eerste durven te erkennen. Gelukkig zijn er vele deskundige rechters. Misschien mag de rechter zijn eigen wens op controle en meedenken door de gewone burgers wat duidelijker uit dragen. Of krijgt ook daar de boodschapper (media) weer de schuld?

Graag hoor ik een reactie van dhr. Schroten en van U. Uw reactie op deze site is meer dan welkom.

Radeloze Vader
oscar1966@live.nl

Skip to toolbar