{"id":1032,"date":"2013-02-22T21:05:38","date_gmt":"2013-02-22T20:05:38","guid":{"rendered":"http:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/?p=1032"},"modified":"2013-02-22T21:15:48","modified_gmt":"2013-02-22T20:15:48","slug":"eindrapport-project-reflectie-ouweneel-e-a","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/2013\/02\/22\/1032_eindrapport-project-reflectie-ouweneel-e-a\/","title":{"rendered":"Eindrapport Project Reflectie (Ouweneel e.a.)"},"content":{"rendered":"<p><em>een van de redacteuren<\/em><\/p>\n<p>Als kwaliteitsfunctionaris binnen het ministerie van Justitie was ik betrokken bij werkzaamheden in het kader van professionaliseringsprojecten en bij werkzaamheden van PRISMA in het algemeen. Als het ware was ik in dienst van het ministerie als klokkenluider. Helaas blijkt in het civiele recht zomogelijk nog meer reden om de noodklok te luiden.<\/p>\n<p>Graag ontvang ik van zo veel mogelijk mensen overdenkingen bij het onderstaande document. Het is een weergave van reacties van medewerkers binnen de Rechterlijke Organisatie naar aanleiding van een groot aantal actuele rechterlijke dwalingen en de grote maatschappelijke ontevredenheid over het functioneren van de rechtspraak.<\/p>\n<p><a href=\"http:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-content\/uploads\/2013\/02\/130222_2000_d_-MvJ_Eindrapport_Project_Reflectie_Ouweneel_ea-scan-SI-.pdf\">130222_2000_d_$ MvJ_Eindrapport_Project_Reflectie_Ouweneel_ea $ scan SI $<\/a><\/p>\n<p>Het document is zonder datum en mist een aantal onderdelen die in een wetenschappelijk kader gebruikelijk zijn. Het verscheen waarschijnlijk in de loop van 2009. Het geeft een goede indruk van een aantal benoemde problemen. Problemen, benoemd dus ook door rechters en andere collega&#8217;s in de rechtspleging.<\/p>\n<p>Graag nodig ik u uit het document te lezen en er op te reageren op deze site.<\/p>\n<p>Indien u het nog te lastig vind om als redacteur op deze site uw reactie als &#8220;post&#8221; aan te bieden, dan wil ik u graag uitnodigen om een &#8220;comment&#8221; te schrijven of om het commentaar als e-mail aan deze site toe te sturen. Het mail-adres: justitieslachtoffers@gmail.com<\/p>\n<p>Voor het strafrecht is momenteel behoorlijk veel aandacht. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de publicaties van Ton Derksen over Lucia de Berk en Ernst Louwes. Met harde technische bewijzen is heel duidelijk bewezen dat het dwalingen betrof.<\/p>\n<p>Als auteur richt ik me liefst op het civiele recht. Ik heb me moeten laten overtuigen dat ook in het civiele recht mensen levenslang hebben gekregen of anderszins een volledig verwoest leven. In het civiele recht worden &#8220;straffen&#8221; uitgedeeld waar volksvertegenwoordigingen helemaal geen notie van hebben kunnen nemen, omdat de straffen en de zogenaamde &#8220;bewijsvoering&#8221; in het verborgene achter gesloten deuren plaatsvindt.<\/p>\n<p>In diverse civiele zaken wordt er letterlijk over leven en dood beschikt. Er worden opdrachten tot operaties gegeven, contacten tussen mensen stil gelegd, dwangmiddelen gebruikt om vrije meningsuiting en contact te beletten, enz. enz. Er worden zelfverzonnen straffen door de rechter opgelegd. Straffen waartoe geen enkele volksvertegenwoordiging werkelijk mandaat heeft gegeven aan de rechter. Er zijn onverantwoorde excessen in productie en gebruik van jurisprudentie ontstaan. Rechters controleren feitelijk elkaar niet eens als het gaat om het gebruik maken van jurisprudentie.<\/p>\n<p>De rechter is zichzelf een vrijheid gaan gunnen dat hij zelfs zelf denkt te mogen bepalen welke rechtsvraag aan hem wordt voorgelegd. De rechter wordt niet alleen in staat geacht om als slager zijn eigen vlees te controleren. Hij wordt zelfs geacht te bepalen wat het vlees is dat we van de rechter vragen en wat ueberhaubt &#8220;vlees&#8221; is.<\/p>\n<p>Het behoeft weinig overdenking dat het ongewenst is dat de rechter lastige rechtsvragen eigenhandig vereenvoudigd tot vragen die hem beter uitkomen en waar hij beter een antwoord op denkt te kunnen geven.<\/p>\n<p>Indien de rechter in een uitspraak (beschikking) aangeeft niet op de oorspronkelijke vraag antwoord te hebben kunnen geven, staat dat niet gelijk met geen recht hebben willen spreken.<\/p>\n<p>Net als in de afgelopen jaren binnen het strafrecht is gebeurd: de burger heeft ten minste recht om veel beter geinformeerd te worden wat de argumentatie en redenatie van de rechter(s) is geweest om tot een civiele uitspraak te komen.<\/p>\n<p><strong>justitieslachtoffers.nl<\/strong><\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>======================================================================<br \/>\n&lt; Voor text-retrieval-technologie is de inhoud zonder volledige opmaak hieronder nogmaals opgenomen. &gt;<\/p>\n<p>de Rechtspraak<br \/>\nEindrapport &#8216;Project reflectie&#8217;<\/p>\n<p>Project reflectie&#8217;<\/p>\n<p>Inhoudsopgave:<br \/>\nHoofdstuk 1: Inleiding<br \/>\n1.1 Inleidende opmerkingen, pagina 3<br \/>\n1.2 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 3<br \/>\n1.3 Projectgroep. pagina 4<br \/>\n1.4 Startbijeenkomst, pagina 5<br \/>\n1.5 Fouten binnen de Rechtspraak, pagina 6<br \/>\n1.6 Top-down?, pagina 7<br \/>\n1.7 De opdrachtgevers van het project. pagina 7<br \/>\n1.8 Samenstelling van de projectgroep, pagina 7<br \/>\n1.9 Samenstelling van de klankbordgroep. pagina 8<br \/>\nHoofdstuk 2: Het bespreken van vernietigingen, cassaties en herzieningen in de<br \/>\ngerechten<br \/>\n2.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 9<br \/>\n2.2 Uitwerking, pagina 9<br \/>\n2.3 Aanbevelingen, pagina 10<br \/>\n2.3.1 Nalezen\/bespreken beslissingen van de hogere rechter, pagina 10<br \/>\n2.3.2 Nalezen\/bespreken eigen beslissingen, pagina 11<br \/>\n2.3.3 Meelezen eigen beslissingen, pagina 11<br \/>\n2.3.4 Sectorbulletin, pagina 12<br \/>\n2.3.5 Vakinhoudelijk overleg, pagina 12<br \/>\n2.3.6 Kennisgroepen, pagina 12<br \/>\n2.3.7 Sectorbrede bijeenkomst\/lezing, pagina 13<br \/>\n2.3.8 Court-sessions, pagina 13<br \/>\nHoofdstuk 3: Systematisch overleg tussen opvolgende instanties<br \/>\n3.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 14<br \/>\n3.2 Rol van de gerechtshoven, pagina 14<br \/>\n3.3 Ressortelijke bijeenkomsten, pagina 15<br \/>\n3.3.1 Strafrecht, pagina 16<br \/>\n3.3.2 Civiel recht, pagina 16<br \/>\n3.3.3 Belastingrecht, pagina 17<br \/>\n3.4 Interne reflectie, pagina 17<br \/>\n3.4.1 Pilots interne reflectie, pagina 19<br \/>\nHoofdstuk 4: Reflectiecommissie(s)?<br \/>\n4.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht, pagina 21<br \/>\n4.2 Inleidende opmerkingen, pagina 21<br \/>\n4.3 Introductie van reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur?, pagina 22<br \/>\n4.4 Geen introductie van reflectiecommissies, pagina 23<br \/>\n4.5 Wet hervorming herzieningsregeling, pagina 25<br \/>\n4.6 Slotopmerkingen. pagina 27<br \/>\nHoofdstuk 5: Aanbevelingen, pagina 28<br \/>\nPagina 2 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nHoofdstuk 1<br \/>\nInleiding<br \/>\n1.1 Inleidende opmerkingen<br \/>\nDe kwaliteit van de Rechtspraak is de laatste tijd steeds meer ter discussie komen te staan.&#8217;<br \/>\nDit heeft aan de ene kant te maken met een toenemende belangstelling van de gewone<br \/>\nmedia, naast de vakpers, voor de behandeling van rechtzaken, die van strafzaken in het<br \/>\nbijzonder. Daarnaast is er sprake van veranderende maatschappelijke opvattingen over<br \/>\ntransparantie en externe verantwoording van alle professionele dienstverleners, en nu dus<br \/>\n3\u00f4k de rechters. Ook is de nieuwswaarde van &#8216;het recht&#8217; herontdekt, niet in de laatste plaats<br \/>\ndoor enkele geruchtmakende justiti\u00eble dwalingen (de Schiedammer parkmoordzaak en de<br \/>\nPuttense moordzaak), maar vooral ook door veronderstelde justiti\u00eble dwalingen (te denken<br \/>\nvalt in het bijzonder aan de Deventer moordzaak en de Enschedese ontuchtzaak) en ook<br \/>\ndoor bijvoorbeeld de wijze waarop de Dexia-zaken thans worden afgedaan.<br \/>\nDaarnaast komen er in toenemende mate kritische geluiden vanuit de wetenschap en ook<br \/>\nvan binnen de magistratuur. Daar waar vroeger werd geaccepteerd dat een rechter alleen<br \/>\nvia zijn beslissing sprak, worden er &#8211; onder meer &#8211; door de genoemde maatschappelijke<br \/>\nontwikkelingen meer en andere eisen gesteld aan de wijze waarop het proces en de<br \/>\nrechterlijke oordeelsvorming worden gemotiveerd en gecommuniceerd.2 Of zoals \u00e9\u00e9n van de<br \/>\nleden van de Klankbordgroep opmerkte: &#8220;Rechters moeten in een voorkomend geval<br \/>\ngedwongen kunnen worden om na te denken over hetgeen ze hebben aangericht.&#8221;<br \/>\nOnlangs is bijvoorbeeld nog een artikel onder de titel Dwalende rechters&#8217; verschenen, dat<br \/>\naanvangt met de volgende zin (waar de verwondering sterk in door lijkt te klinken): &#8216;De<br \/>\nrechterlijke macht is de enige beroepsgroep in ons land die niet door buitenstaanders wordt<br \/>\ngecontroleerd, maar in staat en bereid wordt geacht zichzelf te controleren.&#8221;3<br \/>\nNaast kritische geluiden is er ook positief nieuws te melden, nu onderzoeken onder klanten<br \/>\nen medewerkers van de Rechtspraak en de uitkomsten van de in 2006 gehouden eerste<br \/>\nvisitatie van de gerechten juist een positief beeld schetsen van het functioneren van de<br \/>\nRechtspraak. Alles bijeen genomen, lijkt er genoeg aanleiding te bestaan om door een aantal<br \/>\ningrepen de kwaliteit van de rechtspleging te bevorderen.<br \/>\nIn dit project is getracht om handvatten te ontwikkelen, die kunnen worden gebruikt om niet<br \/>\nalleen de kwaliteit van de Rechtspraak voor de toekomst te borgen, maar ook het vertrouwen<br \/>\nvan de samenleving in de Rechtspraak vast te houden, en daar waar nodig dit terug te<br \/>\nwinnen.<br \/>\n1.2 Uitgangspunten uit de projectopdracht<br \/>\nIn de Agenda van de Rechtspraak 2008 &#8211; 2011 is &#8216;Deskundige Rechtspraak&#8217; de eerste<br \/>\ndoelstelling.4 Een belangrijke voorwaarde daarvoor is dat de Rechtspraak een lerende<br \/>\norganisatie is. Scholing, het bijhouden van juridische literatuur, vakinhoudelijk overleg en het<br \/>\nbespreken van vernietigingen en cassaties vormen vanouds een belangrijk onderdeel van<br \/>\n1 Zie daarover bijvoorbeeld: NJB 2007, 139. Kwaliteit van de Rechtspraak (mr A.H. van Delden, dr F<br \/>\nvan Dijk en mr E. Bauw).<br \/>\n2 Raad voor de rechtspraak (4 mei 2006), In het belang van goede strafrechtspraak, p. 3. Hetgeen<br \/>\ndaar staat geschreven over strafzaken kan in grote lijnen ook van toepassing worden geacht op civiele<br \/>\nen fiscale zaken.<br \/>\nDwalende rechters, De Groene Amsterdammer 03.04.09.<br \/>\nRaad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 &#8211; 2011, p. 4.<br \/>\nPagina 3 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nhet rechterlijke werk. De Agenda van de Rechtspraak heeft daar een tweetal instrumenten<br \/>\naan toegevoegd die betrekking hebben op de eerste en de tweede aanleg samen-<br \/>\n(1 ) reflectiecommissies en (2) systematisch overleg over kwaliteit tussen de opvolgende<br \/>\ninstanties.<br \/>\nHet bespreken van vernietigingen en cassaties in de sectoren, systematisch overleg tussen<br \/>\nopvolgende instanties en reflectiecommissies kunnen in samenhang worden bezien. Bij alle<br \/>\ndrie instrumenten gaat het erom op gestructureerde wijze te leren van beslissingen in hoger<br \/>\nberoep en cassatie. Van belang is dat het gaat om gezamenlijk te leren. Dit vereist bij alle<br \/>\ngerechtelijke instanties een bereidheid om te leren van verschillen van inzicht.<br \/>\n1.3 Projectgroep<br \/>\nIn maart 2008 is in opdracht van de Raad voor de rechtspraak en de presidenten van het<br \/>\ngerechtshof Arnhem en de rechtbanken Arnhem en Zutphen een projectgroep aan het werk<br \/>\ngegaan met als opdracht de drie voormelde instrumenten nader uit te werken en (meer) in<br \/>\nsamenhang met elkaar te brengen. De naam van het project Leren van vernietigingen en<br \/>\ncassaties&#8217; is door de projectgroep vereenvoudigd in het &#8216;Project reflectie.<br \/>\nHet uitgangspunt was om het project in een drietal fasen uiteen te laten vallen: een<br \/>\nuitwerkingsfase, een uitvoeringsfase en een evaluatiefase. Deze driedeling liet zich in de<br \/>\npraktijk niet zo gemakkelijk maken. Er is daarom voor gekozen om gedurende het project<br \/>\nalleen intern, door middel van tussenrapportages te rapporteren, waarbij overigens w\u00e9l<br \/>\nenkele voortgangsberichten op Intro zijn geplaatst.5 Ook zijn enkele tussenbevindingen<br \/>\nkenbaar gemaakt op een gezamenlijke bijeenkomst van het gerechtshof Arnhem, het<br \/>\nressortsparket Arnhem en de balie uit het ressort Arnhem op 13 november 2008 en op een<br \/>\ninterne bijeenkomst binnen de sector strafrecht van het gerechtshof Arnhem op 24 november<br \/>\n2008. De opmerkingen en reacties die naar aanleiding daarvan zijn gemaakt, zijn ook<br \/>\nmeegenomen in de verdere besprekingen binnen de projectgroep.<br \/>\nDeze eindrapportage is het resultaat van al die tussenrapportages waarin alle op- en<br \/>\naanmerkingen (vanuit de projectgroep, de klankbordgroep en andere geconsulteerden)<br \/>\nzoveel mogelijk zijn verwerkt.<br \/>\nIn deze rapportage zijn de drie instrumenten uitgewerkt (dan wel besproken) die het leren<br \/>\nvan vernietigingen en cassaties ondersteunen:<br \/>\nbespreken vernietigingen en cassaties in de gerechten6:<br \/>\nsystematisch overleg tussen opvolgende instanties, waaronder interne reflectie:<br \/>\nreflectiecommissie(s).<br \/>\nDe drie instrumenten zullen hierna ook worden aangeduid als het eerste, tweede en derde<br \/>\ninstrument.<br \/>\nMet een onderdeel van het tweede instrument, de interne reflectie (die is besproken in<br \/>\nparagraaf 3.4), is in twee zaken ervaring opgedaan.<br \/>\nBij de uitvoering van het project is gebleken dat de drie instrumenten, zoals die door de Raad<br \/>\nvan de rechtspraak in de projectopdracht zijn weergegeven, een sterke samenhang hebben.<br \/>\nEr is sprake van een soort &#8216;drietrapsraket&#8217;. De instrumenten volgen elkaar op en hebben tot<br \/>\nZie: http:\/\/intro.bistro.ro.minjus.nh\/lntrolandelijk\/Kwaliteitszorg\/Projecten.<br \/>\n\u00b0 Door de projectgroep is hieraan toegevoegd: &#8216;het bespreken en leren van herzieningen&#8217;. Dit wordt in<br \/>\nhoofdstuk 2 verder uitgewerkt.<br \/>\nPagina 4 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\ndoel te leren en te verbeteren. Samengevat komt het er op neer dat eerst in een sector op<br \/>\ngezette tijden de beslissingen van de hogere rechter intern behoren te worden besproken.<br \/>\nAls daar aanleiding toe is, kunnen vervolgens in een verticaal overleg de gerezen<br \/>\nvraagpunten tussen een gerechtshof en rechtbank worden besproken, waarbij mogelijk een<br \/>\nzogenaamde interne reflectie kan worden ge\u00ebntameerd.<br \/>\nHet doel van het project was voorts nog om te onderzoeken het antwoord op de vraag, of er<br \/>\nvervolgens ook niet nog in heel bijzondere gevallen, als een verticaal overleg naar aanleiding<br \/>\nvan een bepaalde uitspraak tussen een rechtbank en een gerechtshof geen bevredigende<br \/>\nuitkomst biedt of in verband met telkens terugkerende signalen 7, reflectie plaats zou<br \/>\nmoeten\/kunnen vinden, op een zodanige wijze dat de zes betrokken rechters (drie<br \/>\nraadsheren en drie rechters, en mogelijk ook de gerechtssecretarissen) onder leiding van<br \/>\neen commissie, met leden van buiten het betreffende gerecht, de zaak gestructureerd<br \/>\nanalyseren. Na een aanvankelijk voorzichtig &#8216;ja&#8217; wordt die vraag thans met een nadrukkelijk<br \/>\n&#8216;nee&#8217; beantwoord. Deze vorm van reflectie past niet binnen het wettelijke stelsel van de<br \/>\nherziening, zeker niet in de door de Minister van Justitie voorgestelde, nieuwe vorm (zie<br \/>\ndaartoe hoofdstuk 4).<br \/>\nDe drie instrumenten zijn uitgewerkt in de volgende drie hoofdstukken.<br \/>\nDe verhouding tussen de Hoge Raad en de gerechtshoven valt buiten het bestek van deze<br \/>\nprojectopdracht. Dit geldt ook voor het niet-fiscale bestuursrecht.<br \/>\n1.4 Startbijeenkomst<br \/>\nHet project is van start gegaan met een zogenaamde startbijeenkomst op 27 maart 2008 in<br \/>\nhet Arnhemse Paleis van Justitie waarbij twee gastsprekers van buiten de Rechtspraak<br \/>\nwaren uitgenodigd om vanuit hun discipline te vertellen hoe zij omgaan met incidenten en<br \/>\nhoe die worden aangepakt. De startbijeenkomst bestond uit twee onderdelen. &#8216;s Ochtends<br \/>\nwaren twee gastsprekers van buiten de Rechtspraak uitgenodigd. Bij dit onderdeel waren<br \/>\ntevens drie van de vier opdrachtgevers aanwezig. Het ochtenddeel leverde gespreksstof op<br \/>\nvoor het middagdeel waarin de leden van de projectgroep met elkaar discussieerden over de<br \/>\ninvulling en uitvoering van het project. Mr Rinus Otte, toenmalig vice-president van het<br \/>\ngerechtshof Amsterdam8, trad op als dagvoorzitter.<br \/>\nDe eerste gastspreekster was mr Ingrid van Kleef-van Deelen. Zij is werkzaam voor de Raad<br \/>\nvan Bestuur van de Alysis Zorggroep (een samenwerkingsverband van een drietal<br \/>\nziekenhuizen en een verpleeghuis uit de regio Arnhem). Binnen Alysis is, net als in veel<br \/>\nandere ziekenhuizen, een Meldingscommissie Incidenten Pati\u00ebntenzorg (MIP) actief. Het is<br \/>\neen eigen, intern kwaliteitssysteem. In haar presentatie ging zij uitgebreid in op de<br \/>\nsamenstelling en de werkwijze van de MIP, het soort incidenten en de knelpunten. Zij zag<br \/>\neen aantal parallellen tussen de rechterlijke macht en de ziekenhuiswereld: &#8220;Hulpverleners<br \/>\nzijn gebonden aan een beroepsgeheim, binnen de rechterlijke macht bestaat het geheim van<br \/>\nraadkamer. Rechters functioneren soms jaren achtereen in een vaste samenstelling; artsen<br \/>\ndoen dat in maatschapverband ook. Dat maakt het lastig om incidenten van elkaar te<br \/>\nmelden, wantje moet nog een tijdje met elkaar door \u00e9\u00e9n deur. Weliswaar wisselen de<br \/>\nmensen om hen heen &#8211; griffiers onderscheidenlijk verpleegkundigen\/artsassistenten &#8211; maar<br \/>\nzij zijn veelal ondergeschikt en dus afhankelijk, waardoor het voor hen lastig is incidenten te<br \/>\nmelden. Bovendien staan artsen en rechters over het algemeen nog hoog in aanzien en zo<br \/>\nvoelen ze dat ook. Hierdoor zijn fouten vaak moeilijk bespreekbaar.&#8221; Ook zijn incidenten in<br \/>\nbeide sectoren volgens Van Kleef zeer persgevoelig. Bovendien worden in zowel de<br \/>\nmedische stand als de rechterlijke macht besluiten genomen die het leven van mensen danig<br \/>\nVanuit het openbaar ministerie, de politie, de advocatuur en\/of de kring van wetenschappers.<br \/>\n8 Thans werkzaam als vice-president bij het gerechtshof Arnhem.<br \/>\nPagina 5 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nbe\u00efnvloeden: &#8220;Het grote verschil is dat het melden van incidenten in de ziekenhuizen al jaren<br \/>\neen begrip is. Binnen de rechterlijke macht begint men momenteel bij nul. Dat betekent dat<br \/>\ner bij de start vooral hard gewerkt zal moeten worden aan een cultuurverandering, waarin<br \/>\nveilig melden zich een plaats zal moeten verwerven.&#8221;<br \/>\nAls tweede gastspreker trad mr Jan-Willem Grimbergen op, toenmalig advocaat-generaal in<br \/>\nArnhem9 en tevens voorzitter van het driemanschap dat in het kader van de Commissie<br \/>\nEvaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: de CEAS)1\u00b0 de zaak Lucia de B. heeft onderzocht.<br \/>\nZijn bijdrage ging over zelfreflectie bij het Openbaar Ministerie. Hij gaf de projectgroep mee<br \/>\nvooral goed na te denken over het doel dat nagestreefd wordt: &#8220;Ben je alleen uit op interne<br \/>\nverbeteringen of wil je ook verantwoording afleggen aan de samenleving?&#8221; Voorkomen moet<br \/>\nworden, aldus Grimbergen, dat er een instrument wordt ontwikkeld, waarbij de slager als het<br \/>\nware zijn eigen vlees keurt. Dat is normaal gesproken niet zo erg, maar wel als die slager (in<br \/>\ndit geval de Rechtspraak) onder vuur is komen te liggen.<br \/>\nUit de bijdragen van de gastsprekers op de startbijeenkomst valt op te maken, dat binnen<br \/>\nhun organisaties (het ziekenhuis en het Openbaar Ministerie) bij de betrokken medewerkers<br \/>\nweliswaar een bereidheid bestaat om &#8216;fouten\/incidenten&#8217; te melden en te bespreken, doch<br \/>\ndat er een voortdurend spanningsveld bestaat over wat moet worden gemeld, waar, hoe en<br \/>\nwat de gevolgen daarvan (kunnen) zijn voor een individuele medewerker. In de medische<br \/>\nwereld (MIP systeem) en in mindere mate bij het Openbaar Ministerie (CEAS) zijn daarom<br \/>\nenkele instrumenten ontwikkeld om fouten\/incidenten te registeren, bespreekbaar te maken,<br \/>\nzodat uit gemaakte fouten lering kan worden getrokken. Een dergelijk instrument kent de<br \/>\nRechtspraak niet. Een MIP systeem is binnen de Rechtspraak echter niet goed bruikbaar.<br \/>\nBinnen de medische wereld doen fouten zich doorgaans immers ter plekke voor en zijn de<br \/>\nbetrokkenen getuige daarvan. Binnen de Rechtspraak rijst daarentegen, soms zelfs pas na<br \/>\njaren, het vermoeden dat er mogelijk een fout is gemaakt.<br \/>\n1.5 Fouten binnen de Rechtspraak<br \/>\nBinnen de Rechtspraak komen helaas, maar onvermijdelijk, fouten voor. Het overgrote deel<br \/>\ndaarvan laat zich redelijk eenvoudig binnen het bestaande wettelijke kader van<br \/>\nrechtsmiddelen oplossen in app\u00e8l of cassatie (te denken valt aan een verkeerde wetsuitleg of<br \/>\nhet onjuist toepassen van jurisprudentie). Wanneer voor een veroordeelde en\/of het<br \/>\nOpenbaar Ministerie geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen een rechterlijk vonnis<br \/>\nen het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, staan er daarnaast nog de buitengewone<br \/>\nrechtsmiddelen van cassatie in het belang der wet en herziening open.1&#8242;<br \/>\nDaarnaast kan een bepaald vonnis of arrest dusdanige in het oog springende leerpunten<br \/>\nbevatten en\/of verbazing oproepen bij \u00e9\u00e9n van de betrokken gerechten dat een (verticaal)<br \/>\noverleg tussen deze gerechten ter lering en begrip&#8217; geboden is.<br \/>\nHoe we ons rechterlijk systeem ook inrichten en welke oplossingen er ook allemaal worden<br \/>\nbedacht om het maken van fouten te voorkomen, rechterlijke fouten zullen nooit uit te<br \/>\nbannen zijn. Hier schreef A.H. van Delden, de toenmalige voorzitter van de Raad voor de<br \/>\nrechtspraak, al over in zijn essay &#8216;De reflecterende rechter&#8217;. Naar zijn aard is elk rechterlijk<br \/>\noordeel een waarschijnlijkheidsoordeel&#8217;: absolute zekerheid zal nooit bestaan. Het is dus<br \/>\naltijd mogelijk &#8211; hoe klein de kans ook is &#8211; dat een uitspraak fout blijkt te zijn. Het rechterlijk<br \/>\nThans werkzaam als officier van justitie in Utrecht.<br \/>\n10 Ook bekend onder de benaming &#8216;Posthumus II&#8217;. 11 Hier is uitgegaan van een strafzaak. Binnen het civiele en fiscale recht bestaan vergelijkbare<br \/>\nrechtmiddelen.<br \/>\nPagina 6 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\noordeel is ook een menselijk oordeel. Incidentele rechterlijke fouten (of rechterlijke<br \/>\ndwalingen) zijn daarom, in ieder geval in statistische zin, een onontkoombaar verschijnsel.<br \/>\nDat is echter niet het maatschappelijke gevoelen. Door de gemiddelde burger worden<br \/>\nrechterlijke fouten of dwalingen onbegrijpelijk en daarmee onacceptabel gevonden. Als de<br \/>\nmedia zich vervolgens tot tolk van de burger maken, gaat het al gauw niet meer om de zaak<br \/>\nals zodanig, maar wordt in \u00e9\u00e9n moeite door de legitimiteit van het strafrechtssysteem als<br \/>\ngeheel ter discussie gesteld. 12 Zie daar in een notendop het nut en de noodzaak van een<br \/>\nproject als het onderhavige. Hetgeen Van Delden heeft geschreven over het strafrecht, kan<br \/>\nmet wat moeite ook van toepassing op het civiele of het belastingrecht worden verklaard.<br \/>\nHoewel het rumoer rond deze twee rechtsgebieden veelal in het niet zal vallen bij dat rond<br \/>\nhet strafrecht.<br \/>\n1.6 Top-down?<br \/>\nDeze rapportage heeft wellicht een wat &#8216;top-down karakter&#8217;. De projectgroep heeft hier niet<br \/>\nmee tot uitdrukking willen brengen dat het alleen de rechtbanken zijn die moeten leren van<br \/>\nbeslissingen in hoger beroep waarin de hoger beroeprechter de beslissing van de lagere<br \/>\nrechter vernietigt (overigens hebben de gerechtshoven op hun beurt te maken met<br \/>\nvernietiging van hun beslissingen door de Hoge Raad); lering trekken uit vernietigde (en<br \/>\nherziene) beslissingen gaat alle rechters &#8216;van hoog tot laag&#8217; aan. Bij een groot aantal van de<br \/>\ninitiatieven die tot doel hebben het voorkomen van fouten\/incidenten binnen de Rechtspraak<br \/>\ndienen de gerechtshoven echter, naar het oordeel van de projectgroep, het voortouw te<br \/>\nnemen binnen hun ressort. Zij fungeren daarin immers als hoogste feitenrechter en zij<br \/>\nhebben een overzicht van de pluriformiteit en kwaliteit van de vonnissen die de verschillende<br \/>\nrechtbanken aanleveren. Zij zijn in staat om tendensen waar te nemen. Door op een meer<br \/>\nopen en gestructureerde wijze invulling te geven aan hun rol als hoogste feitenrechter kan er<br \/>\ndoor de gerechtshoven enerzijds een bijdrage worden geleverd aan de borging en<br \/>\nontwikkeling van de kwaliteit in eerste aanleg, en zullen de gerechtshoven anderzijds<br \/>\ngaandeweg ook steeds meer begrip krijgen voor de kritieken die er vanuit de rechtbanken<br \/>\nzijn op hun arresten en daar adequater dan nu veelal het geval is het gesprek met<br \/>\nrechtbanken over aan gaan.13<br \/>\n1.7 De opdrachtgevers van het project<br \/>\n\u2022 D.J. van Dijk (president van het gerechtshof Arnhem)<br \/>\n\u2022 M.L.J.C. van Emden-Geenen (president van de rechtbank Arnhem)<br \/>\n\u2022 F.W.H. van den Emster (voorzitter van de Raad voor de rechtspraak)<br \/>\n\u2022 G. Vrieze (president van de rechtbank Zutphen)<br \/>\n1.8 Samenstelling van de projectgroep<br \/>\n\u2022 H. Abbink, projectleider (vice-president, sector straf, gerechtshof Arnhem)<br \/>\n\u2022 P.F.A. Bierbooms (rechter, sector civiel, rechtbank Zutphen)<br \/>\n\u2022 P.J.H.M. Brouns (rechter, sector straf, rechtbank Zutphen)<br \/>\n\u2022 F. van Dijk (afdelingshoofd Ontwikkeling, Raad voor de rechtspraak)<br \/>\n\u2022 C.M. Ettema (raadsheer, sector belasting, gerechtshof Arnhem)<br \/>\n12 NJB 2006, 1413. De reflecterende rechter (mr A.H. van Delden).<br \/>\n13 Zie in dit verband ook het Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak uit september 2008,<br \/>\nbeter bekend als het &#8216;Rapport Hammerstein II&#8217;, pagina 4<br \/>\nPagina 7 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\n\u2022 M. Jurgens (raadsheer, sector straf, gerechtshof Amsterdam)14<br \/>\n\u2022 M.J. Ouweneel, projectsecretaris (gerechtsauditeur\/rechter-plaatsvervanger, sector<br \/>\nstraf, rechtbank Zutphen)15<br \/>\n\u2022 A.J.H. van Suilen (raadsheer, sector belasting, gerechtshof Arnhem)&#8221;<br \/>\n\u2022 C.G. ter Veer (vice-president, sector civiel, gerechtshof Arnhem)<br \/>\n\u2022 F.J. de Vries (vice-president, sector civiel, rechtbank Arnhem)<br \/>\n1.9 Samenstelling van de klankbordgroep<br \/>\n\u2022 W.PM. ter Berg (sectorvoorzitter, sector straf, gerechtshof Leeuwarden)<br \/>\n\u2022 l.M. Blaauw (vice-president, sector civiel, rechtbank Zwolle-Lelystad)<br \/>\n\u2022 W. Breedveld (onder meer columnist bij het dagblad Trouw)<br \/>\n\u2022 T.J. de Geus (adviseur bij Prisma)<br \/>\n\u2022 U. van Houten (sectorvoorzitter, sector civiel en kanton, rechtbank Almelo)<br \/>\n\u2022 M.A. van de Laarschot (sectorvoorzitter. sector kanton, rechtbank Rotterdam)<br \/>\n\u2022 C. van Steenderen-Koornneef (sectorvoorzitter, sector civiel, rechtbank Rotterdam)<br \/>\n\u2022 G.A.M. Stevens (president van het gerechtshof s-Hertogenbosch)<br \/>\nConcepten van de verschillende tussenrapportages zijn meermalen voorgelegd aan de leden<br \/>\nvan de klankbordgroep. Hun opmerkingen en schriftelijke reacties zijn in deze<br \/>\neindrapportage zoveel mogelijk verwerkt. Aanvankelijk waren er verschillen van inzicht<br \/>\ntussen de projectgroep en de klankbordgroep, doch deze zijn grotendeels &#8216;uitgesproken&#8217; op<br \/>\neen gezamenlijke bijeenkomst op 3 december 2008 te Arnhem tussen de projectgroep, de<br \/>\nklankbordgroep en de opdrachtgevers<br \/>\n14 Tot 1 september 2009 werkzaam als vice-president in de sector straf van de rechtbank Arnhem.<br \/>\n15 Tot 1 oktober 2009 werkzaam als stafjurist in de sector straf van het gerechtshof Arnhem.<br \/>\n16 Tot 1 februari 2009 werkzaam als vice-president in de sector belasting van de rechtbank Arnhem.<br \/>\nPagina 8 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nHoofdstuk 2<br \/>\nHet bespreken van vernietigingen, cassaties en herzieningen in de<br \/>\ngerechten<br \/>\n2.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht<br \/>\nHet is van belang dat gerechten lering trekken uit uitspraken in hoger beroep waarin de<br \/>\nhoger beroeprechter de uitspraak van de lagere rechter vernietigt. Daarbij moet overigens<br \/>\nbedacht worden dat het gerechtshof in strafzaken vaak een uitspraak van de rechtbank om<br \/>\nlouter proceseconomische redenen vernietigt. Het zal duidelijk zijn dat deze categorie zaken<br \/>\nin elk geval niet bedoeld wordt.<br \/>\nVoor het leren van uitspraken in hoger beroep is het nodig dat deze uitspraken worden<br \/>\ngeanalyseerd en dat eruit leerpunten worden afgeleid. Om het leereffect te vergroten is het<br \/>\nnodig de uitspraken (van de hogere rechter) en de leerpunten in de sector te bespreken. De<br \/>\nVisitatiecommissie gerechten (Commissie Meijerink) zegt over de praktijk van het bespreken<br \/>\nvan vernietigingen en cassaties in het visitatierapport het volgende: &#8220;Bij nagenoeg alle<br \/>\ngerechten gaan uitspraken van een hogere instantie ten minste terug naar de concipi\u00ebnt van<br \/>\nde beslissing. In veel (sectoren van) gerechten gaan vernietigingen voor het aangeven van<br \/>\nleerpunten ook naar de sectorvoorzitter of naar de stafjurist. De praktijk kan binnen een<br \/>\ngerecht per sector nogal verschillen. A7<br \/>\nVeel gerechten zijn bezig met het opzetten van overlegvormen om gestructureerde<br \/>\nbespreking van uitspraken te verbeteren. Het is de vraag welke manieren het meest effectief<br \/>\nzijn. Deze overleggen beperken zich dus tot wat de hoger beroepsinstantie zegt in haar<br \/>\nuitspraken. Dat zal in verreweg de meeste gevallen voldoende zijn.<br \/>\n2.2 Uitwerking<br \/>\nDe leden van de projectgroep hebben ieder binnen hun eigen sector ge\u00efnventariseerd hoe<br \/>\nde interne bespreking van de jurisprudentie en vakliteratuur plaatsvindt. Al deze<br \/>\ninventarisaties zijn neergelegd in notities. Gebleken is dat er grote verschillen in werkwijzen<br \/>\nzijn. In de ene sector lijkt alles uitputtend geregeld te zijn en in een andere sector lijkt de<br \/>\nbespreking van jurisprudentie en vakliteratuur op veel minder gestructureerde wijze plaats te<br \/>\nvinden. Alle notities zijn bestudeerd en besproken en op basis hiervan worden<br \/>\naanbevelingen gedaan hoe het interne overleg in een sector vorm gegeven zou kunnen<br \/>\nworden. De projectgroep spreekt nadrukkelijk uit dat het geen &#8216;blauwdruk&#8217; heeft willen<br \/>\nschrijven hoe men in een sector jurisprudentie en vakliteratuur moet bespreken, maar hoe dit<br \/>\nvorm gegeven zou kunnen worden. E\u00e9n en ander is namelijk ook afhankelijk van de indeling<br \/>\nen de grootte van een gerecht, sector, team en\/of kamer. De organisatie en<br \/>\nverantwoordelijkheid voor het interne overleg zou naar het idee van de projectgroep in<br \/>\nhanden behoren te liggen van een vice-president inhoudelijk. Belangrijk is dat \u00e9\u00e9n of enkele,<br \/>\ndaartoe aangewezen functionarissen, belast is\/zijn met de organisatie hiervan en daar<br \/>\nderhalve ook verantwoordelijk voor zijn. Het neerleggen van taken en verantwoordelijkheden<br \/>\nin dit verband op veel verschillende plaatsen leidt gemakkelijk tot lethargie. Dat is ongewenst<br \/>\nin een Organisatie waarin het werk in het primaire proces voortdurend de aandacht opeist.<br \/>\n17 Visitatiecommissie gerechten (Commissie Meijerink) (2006), Rapport Visitatie gerechten 2006<br \/>\n(Raad voor de rechtspraak), p. 21.<br \/>\nPagina 9 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nVan belang bij het intern bespreken van de jurisprudentie en vakliteratuur, en in het bijzonder<br \/>\nbij het bespreken van de door een hogere rechter vernietigde beslissingen, is het cre\u00ebren<br \/>\nvan een veilige omgeving waarin die besprekingen kunnen plaatsvinden zonder dat er<br \/>\nsprake is van enige druk van buiten of &#8216;hogerhand&#8217;. Alleen in een dergelijke omgeving zijn<br \/>\nmensen veelal in staat hun fouten&#8217; te bespreken en kan met collega&#8217;s adequate reflectie<br \/>\nplaatsvinden. Bij de hierna (maar later ook in hoofdstuk 3) geformuleerde aanbevelingen<br \/>\nmoet dat ook telkens in het achterhoofd worden gehouden.<br \/>\n2.3 Aanbevelingen<br \/>\nDe focus van dit project is gericht op &#8211; kort gezegd &#8211; het leren van fouten. Dat betekent<br \/>\nnatuurlijk niet dat de hierna te bespreken aanbevelingen alleen in dat licht moeten worden<br \/>\ngezien. Van de bespreking van vernietigingen, cassaties en herzieningen binnen de<br \/>\ngerechten, en breder nog de algemene bespreking van jurisprudentie en vakliteratuur, gaat<br \/>\nook een bredere werking uit, te weten het op peil houden en vergroten van de kennis en<br \/>\nvaardigheden van de individuele medewerkers en de gerechten zelf. Enkele van die<br \/>\naanbevelingen kunnen mogelijkerwijs ook onder de 30-uurs norm in het kader van de<br \/>\npermanente educatie worden geschaard.<br \/>\nDe enigszins imperatief geformuleerde aanbevelingen zouden het beste kunnen worden<br \/>\nbeschouwd als &#8216;best practices&#8217;. De projectgroep heeft zich, in uitbreiding op de<br \/>\nprojectopdracht, niet alleen beperkt tot een beschrijving van gestructureerde overlegvormen<br \/>\nin de sectoren rond uitspraken in hoger beroep.<br \/>\n2,3,1 Nalezen\/bespreken beslissingen van de hogere rechter 1&#8243;<br \/>\nLaat alle eigen beslissingen die zijn beoordeeld door een hogere rechter lezen door een<br \/>\nvice-president inhoudelijk (daarbij eventueel bijgestaan door een stafjurist). Die kan<br \/>\nvervolgens de beslissingen waar een algemene les uit valt te halen selecteren en ter sprake<br \/>\nbrengen in een vakinhoudelijk werkoverleg van rechters en gerechtssecretarissen. Het<br \/>\nverdient in een dergelijk geval de voorkeur om die (vernietigde) beslissing te laten bespreken<br \/>\ndoor de combinatie die de beslissing heeft gewezen. De overige beslissingen kunnen<br \/>\nworden doorgeleid naar de betreffende rechter(s) en gerechtssecretaris ter eigen lering.<br \/>\nEen bijzondere vermelding verdient hier de bespreking van arresten in zaken die zijn<br \/>\ngewezen door een ander gerechtshof nadat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening in een<br \/>\ndergelijke zaak gegrond heeft verklaard. Bij deze bespreking zou ook de rechtbank<br \/>\nbetrokken kunnen worden (zie ook hoofdstuk 3).<br \/>\nToelichting<br \/>\nHet kan voorkomen dat er bij deze selectie of in een ander stadium, als de zaak bij het<br \/>\nhogere gerecht is binnengekomen, het oog valt op een fout die als vermijdbaar moet worden<br \/>\ngekwalificeerd. Het gaat daarbij om fouten die bij de betrokkenen &#8216;het schaamrood op de<br \/>\nkaken brengen&#8217;. Nabespreking van dergelijke fouten in een groter verband dient geen<br \/>\nredelijk doel. Het verdient aanbeveling dit soort fouten een-op-een door de sectorvoorzitter<br \/>\n(of een vice-president inhoudelijk) terug te koppelen aan de betrokken rechter(s) en<br \/>\ngerechtssecretaris.<br \/>\n18 Voor rechter kan in een voorkomend geval ook raadsheer worden gelezen.<br \/>\nPagina 10 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\n2.3.2 Nalezen\/bespreken eigen beslissingen<br \/>\nLaat alle beslissingen van het eigen gerecht achteraf (met een zogenaamde helicopterview)<br \/>\nlezen door een vice-president inhoudelijk (daarbij eventueel bijgestaan door een stafjurist).<br \/>\nIngeval van &#8216;fouten\/bedrijfsongevalletjes&#8217; of andere opvallende zaken kan vervolgens contact<br \/>\nworden gezocht met de betreffende combinatie.<br \/>\nHet verdient de voorkeur om dit nalezen &#8216;blindfolded&#8217; te laten gebeuren. dat wil zeggen<br \/>\nzonder dat bekend is bij de nalezer welke rechter(s) de bewuste beslissing heeft\/hebben<br \/>\ngewezen. Anders bestaat het gevaar dat de nalezer ge\u00efmponeerd raakt of gemakzuchtig<br \/>\nwordt zodra hij ziet welke rechter(s) een bepaalde beslissing heeft\/hebben gewezen.<br \/>\nToelichting:<br \/>\nAan deze aanbeveling kleeft het nadeel dat het bijzonder tijdsintensief is. Het grote voordeel<br \/>\nis echter dat op deze wijze de rechtseenheid van het eigen gerecht kan worden bewaakt en<br \/>\ner dus in de toekomst voorkomen kan worden dat op de gesignaleerde punten verschillende<br \/>\nkamers of rechters in gelijke gevallen tot verschillende beslissingen komen.<br \/>\n2.3.3 Meelezen eigen beslissingen<br \/>\nIn enkele sectoren bij rechtbanken worden de beslissingen reeds vooraf door een niet bij de<br \/>\nbeslissing betrokken rechter\/stafjurist aan een review onderworpen: het zogenaamde<br \/>\nmeelezen Het verdient de aanbeveling deze mogelijkheid te onderzoeken op haalbaarheid<br \/>\nin de eigen sector. Juist bij een rechtbank werken relatief veel onervaren<br \/>\nrechters\/secretarissen en wordt veel aan unus-rechtspraak gedaan. Van het meelezen, dat<br \/>\nweliswaar tijdsintensief is, kan dan een sterke kwaliteitsimpuls uitgaan. Meelezen kan<br \/>\nworden gezien als instrument ter bevordering van de deskundigheid van de rechters.<br \/>\nDe projectgroep sluit aan bij algemene definitie voor meelezen van het Rapport<br \/>\nKwaliteitsnormen:<br \/>\n&#8211; Er wordt meegelezen door een collega-rechter of een ervaren juridisch ondersteuner<br \/>\ndie niet bij de zaak betrokken is.<br \/>\nDe meelezer leest in beginsel slechts de (concept)beslissing. Hij kan er echter voor<br \/>\nkiezen om (delen van) het dossier te raadplegen indien de beslissing daartoe<br \/>\naanleiding geeft.<br \/>\nEr wordt meegelezen v\u00f4\u00f4r de beslissing of voordat de op schrift gestelde mondelinge<br \/>\nbeslissing wordt verzonden.<br \/>\nHet meelezen betreft contradictoire zaken Verstekzaken, dan wel zaken die<br \/>\nvereenvoudigd worden afgedaan, worden niet meegelezen\u00bb<br \/>\nToelichting:<br \/>\nAan deze aanbeveling kleeft het nadeel dat het tijdsintensief is. Anderzijds is er juist voor dit<br \/>\nonderdeel in het Rapport Kwaliteitsnormen een norm vastgesteld voor de verschillende<br \/>\nsectoren, zodat daarvoor dus ook budget beschikbaar is.20<br \/>\n19 Raad voor de rechtspraak (16 november 2007), Rapport Kwaliteitsnormen, p. 10.<br \/>\n20 Raad voor de rechtspraak (16 november 2007), Rapport Kwaliteitsnormen, p. 8 e.v.<br \/>\nPagina 11 van 28<br \/>\nProject reflectie<br \/>\n2.3.4 Sectorbulletin<br \/>\nHet verdient aanbeveling binnen de eigen sector een sectorbulletin of attenderingsbrief te<br \/>\npubliceren Te denken valt aan een tweewekelijks of maandelijks bulletin, waarin onder<br \/>\nmeer:<br \/>\n\u2022 een selectie wordt besproken van arresten\/vonnissen van de Hoge Raad\/het<br \/>\ngerechtshof\/de rechtbank:<br \/>\n\u2022 relevante wetswijzigingen worden besproken:<br \/>\n\u2022 praktische aspecten aan de orde komen die direct betrekking hebben op het primaire<br \/>\nproces;<br \/>\n. relevant vaknieuws onder aandacht wordt gebracht of wordt besproken.<br \/>\nDe gerechtshoven worden vervolgens ook opgeroepen hun sectorbulletin of<br \/>\nattenderingsbrief onder de rechtbanken binnen hun ressort te verspreiden.<br \/>\n2.3.5 Vakinhoudelijk overleg<br \/>\nHet verdient aanbeveling om bij voorkeur tweewekelijks, maar ten minste maandelijks, per<br \/>\nteam en\/of kamer (afhankelijk van de grootte\/inrichting van de sector) een vakinhoudelijk<br \/>\nwerkoverleg van rechters en gerechtssecretarissen te houden, waarin bij toerbeurt iemand<br \/>\nrelevante jurisprudentie of een bepaald onderwerp inleidt.<br \/>\nToelichting:<br \/>\nEr is gesproken over de vraag of rechters en gerechtssecretarissen apart dan wel tezamen<br \/>\neen vakinhoudelijk overleg zouden houden. Voor beide is van alles te zeggen, maar<br \/>\ndoorslaggevend is naar het oordeel van de projectgroep uiteindelijk toch dat beide<br \/>\nfunctionarissen eenzelfde informatiepositie zullen moeten hebben en dat een gezamenlijk<br \/>\noverleg dus gewenst is.<br \/>\n2.3.6 Kennisgroepen<br \/>\nBinnen een sector kunnen kennisgroepen?&#8217; bestaande uit enkele rechters en<br \/>\ngerechtssecretarissen worden ingericht, die tot taak hebben de ontwikkelingen binnen een<br \/>\nbepaald rechtsgebied te volgen. Zij kunnen notities opstellen die &#8211; zonodig &#8211; ook op de<br \/>\nvakinhoudelijke werkoverleggen kunnen worden besproken. De kennisgroepen kunnen ook<br \/>\neen belangrijke rol vervullen bij de overdracht van kennis aan nieuwe medewerkers binnen<br \/>\neen bepaald deelgebied. Op deze manier blijft specifieke kennis voor een sector<br \/>\ngewaarborgd<br \/>\nBeter nog ware het de kennisgroepen (ook) op ressortsniveau op te richten, waarbij de<br \/>\nkennisgroepen bestaan uit afgevaardigden van zowel een gerechtshof als de rechtbanken.<br \/>\n21 Het Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak uit september 2008 spreekt in dit verband<br \/>\nvan vakkringen en heeft hier &#8211; onder meer &#8211; het volgende over opgenomen: &#8216;Het (structureel) delen<br \/>\nvan kennis gaat het eenvoudigst tussen vakgenoten. Dergelijke (voor een belangrijk deel digitaal<br \/>\ngeorganiseerde) vakkringen zouden er ook kunnen komen voor (gespecialiseerde) raadsheren en<br \/>\ngerechtsecretarissen ( ..). Nader onderzoek zou kunnen plaats vinden op welke terreinen behoefte is<br \/>\naan dergelijke kringen en hoe die het beste kunnen worden georganiseerd in die zin dat de kennis<br \/>\nwordt geborgd en (ook) toegankelijk wordt gemaakt voor anderen dan degenen die deel uitmaken van<br \/>\nde kring (van specialisten).&#8221;, p. 17.<br \/>\nPagina 12 van 28<br \/>\nProject reflectie<br \/>\nOp deze manier kan kennis in brede kring worden gedeeld. Dit ondervangt ook de<br \/>\nkleinschaligheidsproblematiek van de kleinere gerechten in een ressort 22<br \/>\n2.3.7 Sectorbrede bijeenkomst\/lezing<br \/>\nOrganiseer meermalen per jaar een sectorbrede (inhoudelijke) bijeenkomst\/lezing waarbij<br \/>\niemand uit de wetenschap (of een ervaren eigen rechter) de laatste jurisprudentie en andere<br \/>\nrechtsontwikkelingen bespreekt Voor deze lezing zouden ook vertegenwoordigers van de<br \/>\nandere gerechten uit het ressort kunnen worden uitgenodigd. Dit komt de intercollegiale<br \/>\ncontacten ten goede.<br \/>\n2.3.8 Court-sessions<br \/>\nHet verdient aanbeveling het organiseren van zogenaamde court-sessions te onderzoeken.<br \/>\nDit betreft open discussie\/brainstormbijeenkomsten waarin aan de hand van specifieke<br \/>\nprobleemstellingen uitwisseling van kennis en informatie op verschillende rechtsgebieden<br \/>\nplaatsvindt en richting wordt gegeven. Het gaat hierbij om bijeenkomsten van collega&#8217;s<br \/>\nonderling (rechters en gerechtssecretarissen apart) in relatief kleine groepen (10 \u00e2 15 man),<br \/>\nmaar wel samengesteld uit verschillende teams\/kamers. Het kan gaan zowel om<br \/>\nvaktechnische kwesties als om punten ter bevordering van de rechtseenheid binnen de<br \/>\nsector (als verschillende teams\/kamers tot andere beslissingen in gelijksoortige zaken<br \/>\nkomen), als om het bespreken van zaken die tussen de teams onderling tot vragen<br \/>\naanleiding geven. Groot voordeel is dat een veilige, laagdrempelige en informele omgeving<br \/>\ngeboden wordt voor de bespreking van allerlei zaken, onder meer &#8216;fouten&#8217; Het zou kunnen<br \/>\nworden gebruikt als een voorportaal voor de (nog te bespreken) interne reflectie uit<br \/>\nhoofdstuk 3.<br \/>\nIn de civiele sector van het gerechtshof Arnhem zijn hier goede ervaringen mee opgedaan.<br \/>\nIndien men met dit fenomeen nader kennis wil maken, kan contact worden gezocht met<br \/>\ngenoemd gerechtshof.<br \/>\n22 Zie in dit verband ook Hoofdstuk 3.<br \/>\nPagina 13 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nHoofdstuk 3<br \/>\nSystematisch overleg tussen opvolgende instanties<br \/>\n3.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht<br \/>\nApp\u00e8linstanties zouden niet alleen via hun beslissingen met de gerechten moeten<br \/>\ncommuniceren. Opvolgende instanties kunnen vaker in overleg gaan om over en weer over<br \/>\nkwaliteitsonderwerpen te spreken. Dit geldt zowel voor de Hoge Raad en de gerechtshoven<br \/>\nals voor de gerechtshoven en de rechtbanken. In de Agenda is hierover de volgende tekst<br \/>\nopgenomen:<br \/>\n&#8220;Systematisch overleg tussen appelcolleges enerzijds en rechtbanken anderzijds<br \/>\ndraagt onder andere bij aan het bevorderen van rechtseenheid. Het doel is vormen te<br \/>\nontwikkelen die het mogelijk maken dat appelcolleges en rechtbanken optimaal van<br \/>\nelkaar kunnen leren met het oog op kwaliteitsverbetering. Voor de gerechtshoven is<br \/>\nop dit punt overleg met de Hoge Raad geboden.&#8221;23<br \/>\nDeze overlegstructuren zijn gericht op het bespreken van vernietigingen en cassaties en om<br \/>\ninzicht te krijgen in de lijn van de jurisprudentie van de hogere instanties. Daarbij moet<br \/>\nbedacht worden dat arresten van de Hoge Raad, al dan niet van commentaar voorzien in<br \/>\nnoten of vakliteratuur, doorgaans zodanig gemotiveerd zijn dat daarover geen overleg nodig<br \/>\nzal zijn. Deze zin &#8211; uit de projectopdracht &#8211; over de arresten van de Hoge Raad is naar het<br \/>\noordeel van de projectgroep wat ongelukkig geformuleerd, nu dergelijke arresten juist<br \/>\naanleiding kunnen (en wellicht zelfs moeten) zijn om een overleg tussen een rechtbank en<br \/>\ngerechtshof te entameren. Overleg tussen rechtbanken en gerechtshoven zal in het<br \/>\nbijzonder van belang zijn, wanneer de beslissing van de rechtbank of het gerechtshof niet<br \/>\nbinnen de bandbreedte blijft van wat wellicht het best aangeduid kan worden als het<br \/>\nverbazingscriterium, ook wel het bevreemdingscriterium.<br \/>\n3.2 Rol van de gerechtshoven<br \/>\nIn het rapport van de Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak zijn door die commissie<br \/>\ndrie globale functies van het hoger beroep onderscheiden. De projectgroep sluit zich daar<br \/>\nvolgaarne bij aan. In de eerste plaats dient het hoger beroep ter controle van de beslissingen<br \/>\nvan de eerste rechter. In de tweede plaats wordt het hoger beroep gebruikt voor het herstel<br \/>\nvan fouten en verzuimen die in eerste aanleg zijn begaan. In de derde plaats vervullen de<br \/>\ngerechtshoven een taak bij de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. De drie functies zijn<br \/>\nsamengevat in een drietal kernwaarden:<br \/>\nBewaking van kwaliteit van de rechtspraak;<br \/>\nHandhaving van vertrouwen in de Rechtspraak door rechtsbescherming en<br \/>\nherkansing en;<br \/>\nOntwikkeling van de Rechtspraak door bevordering van de uniformiteit bij de<br \/>\ntoepassing van rechtsregels en aanpassing en vernieuwing van het recht en de<br \/>\nrechtspleging.24<br \/>\n23 Raad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 &#8211; 2011, p. 22.<br \/>\n24 Rapport Commissie Kernwaarden Appelrechtspraak, september 2008, p. 4.<br \/>\nPagina 14 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nDeze drie kernwaarden stralen vanzelfsprekend ook automatisch af op de rechtbanken. In de<br \/>\nwetenschap dat vrijwel al hun beslissingen kunnen worden onderworpen aan het oordeel van<br \/>\neen hogere rechter, zullen zij zich inspannen om niet alleen de juiste wet, regelgeving en<br \/>\njurisprudentie toe te passen, doch zich ook daar waar mogelijk te conformeren aan de met<br \/>\ndie hogere rechter gemaakte (werk)afspraken. Daarbij gaat het niet alleen om de wijze van<br \/>\ninzending van dossiers, of afspraken over het uitwerken van beslissingen, doch ook de<br \/>\nmanier waarop een bepaald gerechtshof uitleg heeft gegeven aan bepaalde leerstukken. Dit<br \/>\nlaatste vereist een goed, open en regelmatig contact tussen een rechtbank en een<br \/>\ngerechtshof, en dan niet, zoals nu nog veelal het geval is alleen op managementniveau.<br \/>\nD\u00e2\u00e2r ziet dit hoofdstuk onder meer op.<br \/>\n3.3 Ressortelijke bijeenkomsten<br \/>\nVoorgesteld wordt om per sector (minimaal) tweemaal per jaar een bijeenkomst te<br \/>\norganiseren ten behoeve van vertegenwoordigers van de rechtbanken en het betreffende<br \/>\ngerechtshof: een zogenaamde professionele ontmoeting tussen rechters en raadsheren.<br \/>\nTijdens de ene bijeenkomst zouden beslissingen van de rechtbanken en het gerechtshof<br \/>\nkunnen worden besproken die bevreemden, ook wel de zogenaamde opmerkelijke<br \/>\nbeslissingen. De andere bijeenkomst zou kunnen gaan over een onderwerp dat voortkomt uit<br \/>\neen eerdere bijeenkomst en dat om nadere uitdieping vraag t.25<br \/>\nDe tijdens deze bijeenkomsten te bespreken beslissingen behoren te worden ingebracht via<br \/>\neen vice-president inhoudelijk van een rechtbank dan wel van een gerechtshof. De<br \/>\nbijeenkomsten worden door hen gezamenlijk of bij toerbeurt georganiseerd.<br \/>\nDe verwachting is dat door deze bijeenkomsten een informeel platform ontstaat dat<br \/>\ndrempelverlagend werkt. Het wordt gemakkelijker om elkaar aan te spreken, te bellen, te<br \/>\ne-mailen of anderszins te overleggen. In de ideaalsituatie zou dit er toe moeten leiden, dat<br \/>\ngerechten elkaar zonder enige terughoudendheid over en weer kunnen aanspreken op de<br \/>\nkwaliteit van hun werk. Een rechter moet geen schroom voelen om bij een raadsheer<br \/>\nopheldering te vragen over een bepaalde uitspraak van het gerechtshof. 26 Onderlinge<br \/>\naanspreekbaarheid vraagt echter wellicht bij enkelen om een cultuurverandering. Van de hier<br \/>\nvoorgestelde ressortelijke bijeenkomsten &#8211; in welke vorm deze dan ook worden gehouden &#8211;<br \/>\ngaat echter ongetwijfeld een sterke stimulans uit om de van oudsher gegroeide afstand<br \/>\ntussen rechtbanken en een gerechtshof te verkleinen. Dat hebben de reeds gehouden<br \/>\nbijeenkomsten in Den Haag, Den Bosch en Arnhem wel bewezen.<br \/>\nDe lezingencycli die verschillende rechtbanken en gerechtshoven thans reeds met elkaar<br \/>\norganiseren en waarvoor nu al over en weer vertegenwoordigers van andere instanties<br \/>\nworden uitgenodigd, blijven in dit voorstel behouden.<br \/>\nVoor de verschillende sectoren worden in de navolgende paragrafen specifieke<br \/>\naanbevelingen gedaan:<br \/>\n25 In verscheidene ressorten zijn er al van dit soort gezamenlijke bijeenkomsten opgestart. Onder<br \/>\nmeer in het ressort Den Haag: het &#8216;Ressortoverleg kwaliteit (civiel)&#8217;, in het ressort Den Bosch: diverse<br \/>\noverlegvormen en in het ressort Arnhem; de zogenaamde &#8216;Returnconference (strafrecht)&#8217;.<br \/>\n26 Mogelijk zou als filter voor dit &#8216;opheldering vragen&#8217; gebruik kunnen worden gemaakt van enkele<br \/>\nvaste aanspreekpunten per sector in de persoon van een vice-president inhoudelijk.<br \/>\nPagina 15 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\n3.3.1 Strafrecht<br \/>\nVoorgesteld wordt om voor de sector strafrecht de besprekingen in op te richten<br \/>\n(ressortelijke) kennisgroepen te laten plaatsvinden. De projectgroep denkt daarbij aan de<br \/>\nvolgende indeling:<br \/>\n1. formeel strafrecht;<br \/>\n2. materieel strafrecht;<br \/>\n3. straftoemeting;<br \/>\n4. penitentiair recht;<br \/>\n5. jeugd;<br \/>\n6. verkeersstrafrecht:<br \/>\n7. economie en milieu;<br \/>\n8. fraude;<br \/>\n9. ontneming;<br \/>\n10. voorlopige hechtenis;<br \/>\n11. bijzondere straf raadkamer.<br \/>\nSamenvoeging van enkele deelgebieden kan wenselijk zijn, als de omvang van de<br \/>\ndeelnemende gerechten daar aanleiding toe geeft. Voor kleinere sectoren en\/of gerechten<br \/>\nkan een onderverdeling in kennisgroepen veel te gedetailleerd zijn om werkbaar te zijn,<br \/>\neenvoudigweg omdat er te weinig rechters en gerechtssecretarissen zijn om deze te<br \/>\nbezetten. Anderzijds heeft de projectgroep (met betrekking tot de grotere sectoren) door z\u00f4<br \/>\nspecifiek allerlei kennisgroepen te benoemen ook weer geen volledigheid willen nastreven.<br \/>\nHet is aan de specifieke sectoren zelf 6f en zo ja welke kennisgroepen ze willen inrichten.<br \/>\n3.3.2 Civiel recht<br \/>\nVoorgesteld wordt om voor de sector civiel recht de besprekingen te laten plaatsvinden<br \/>\nbinnen de klassieke onderverdeling:<br \/>\nhandel;<br \/>\nfamilie;<br \/>\nkanton.<br \/>\nBinnen het civiele recht zou ook gedacht kunnen worden aan het oprichten van<br \/>\n(ressortelijke) kennisgroepen voor enkele deelgebieden die een specifieke expertise vergen.<br \/>\nHierbij valt te denken aan kennisgroepen op het gebied van:<br \/>\n&#8211; letselschade en medische aansprakelijkheid;<br \/>\n&#8211; civiel recht en overheid;<br \/>\n&#8211; onteigeningswet, Landinrichtingswet, Wvg en burenrecht;<br \/>\n&#8211; Europees recht en mededingingsrecht;<br \/>\n&#8211; procesrecht;<br \/>\n&#8211; insolventierecht;<br \/>\n&#8211; IPR en internationale koop;<br \/>\n&#8211; vennootschaps-\/ondernemingsrecht;<br \/>\n&#8211; bank- en effectenrecht;<br \/>\n&#8211; intellectuele eigendom en ICT;<br \/>\n&#8211; verzekeringsrecht en vervoerrecht;<br \/>\n&#8211; familierecht;<br \/>\n&#8211; arbeidsrecht;<br \/>\n&#8211; huurrecht.<br \/>\nPagina 16 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nSamenvoeging van enkele deelgebieden kan wenselijk zijn, als de omvang van de<br \/>\ndeelnemende gerechten daar aanleiding toe geeft.<br \/>\n3.3.3 Belastingrecht<br \/>\nBinnen de sectoren belastingrecht zijn de banden tussen de rechtbanken en de<br \/>\ngerechtshoven, vanwege de kleinschaligheid, al behoorlijk goed te noemen en behoeven zij<br \/>\nnauwelijks enige verbetering.<br \/>\nVoorts zijn er onlangs in het kader van het Project Kenniskringen Belastingsectoren Hoven<br \/>\nzeven landelijke kenniskringen gevormd. Zij noemen het kenniskringen om verwarring met<br \/>\nde bij de Belastingdienst bekende term kennisgroepen te voorkomen. Elke kenniskring<br \/>\nbestaat uit een voorzitter en gemiddeld vijf leden, waarbij zoveel mogelijk elk gerechtshof is<br \/>\nvertegenwoordigd. Er is ook aan een intranetsite (samenwerkingsruimte) gewerkt. Deze<br \/>\ndraagt de naam Fiscaal Domein.<br \/>\nDe zeven kenniskringen zijn:<br \/>\n1. Formeel Belastingrecht (AWR, AWB, algemene beginselen, ATW, Invordering);<br \/>\n2. Heffingen Lagere overheden + Milieu (Provinciewet, Gemeentewet, Waterschapswet,<br \/>\nWOZ, Milieuheffingen (incl. Grondwaterbelasting en Kilometerheffing);<br \/>\n3. Indirecte belastingen (OB + richtlijnen, Accijns, Douane);<br \/>\n4. Inkomensheffingen (LB, IB-niet-winst, Premieheffing incl. internationaal);<br \/>\n5. Internationaal belastingrecht (Europees recht (excl. Vennootschapsbelasting,<br \/>\nIndirecte belastingen, Premieheffingen), internationale verdragen, BVDB);<br \/>\n6. Overige belastingen (Successiewet, BRV,Kansspelbelasting, MRB, BPM, BZM);<br \/>\n7. Vennootschapsbelasting (Vpb + richtlijnen, IB-winst, Dividendbelasting).<br \/>\nDeze kenniskringen zullen vooralsnog alleen binnen de belastingsectoren van de<br \/>\ngerechtshoven functioneren, maar te zijner tijd kan er aan worden gedacht ook de<br \/>\nrechtbanken erbij te betrekken.<br \/>\n3.4 Interne reflectie<br \/>\nEr zijn situaties voorstelbaar dat een zaak binnen een gerecht (alleen binnen een rechtbank<br \/>\nof een gerechtshof) of binnen beide instanties ook na een uitvoerig intern overleg (zie<br \/>\nhoofdstuk 2) alsook na verticaal overleg (zie de voorgaande paragrafen) nog steeds vragen<br \/>\nblijft oproepen. Verder is voorstelbaar dat er bij de betrokken gerechten wellicht geen<br \/>\nvragen\/twijfels bestaan over een zaak, doch dat in het publieke, of zelfs politieke debat, zo<br \/>\neen zaak wel veelvuldig de aandacht blijft trekken. De vraag rijst wat er in die gevallen moet<br \/>\ngebeuren. De kop in het zand steken? Overgaan tot de orde van de dag?<br \/>\nNaar het idee van de projectgroep zou het in een dergelijk geval heel verhelderd kunnen zijn<br \/>\nom in het kader van de interne kwaliteitsbewaking een gesprek\/overleg te arrangeren tussen<br \/>\nde betrokken rechters, raadsheren en gerechtssecretarissen: een zogenaamde interne<br \/>\nreflectie.27 Binnen zon interne reflectie worden de deelnemers als het ware &#8216;gedwongen&#8217; om<br \/>\nop de zaak nog eens gezamenlijk te reflecteren. Dat wil zeggen: het nog eens gezamenlijk<br \/>\nbeschouwen, overdenken en overwegen van een zaak met inachtneming van alle &#8216;ruis,<br \/>\n27 Hier wordt alleen in meervoudsvormen gesproken. Naar verwachting zal het immers in vrijwel alle<br \/>\ngevallen gaan om uitspraken die meervoudig zijn gewezen.<br \/>\nPagina 17 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\ncommotie et cetera&#8217; die er over de zaak is ontstaan. Reflectie is immers een normaal proces<br \/>\nvan herijking in veranderende omstandigheden. Het met elkaar en anderen (in dit geval: de<br \/>\nkamer van een rechtbank met de kamer van een gerechtshof) in gesprek gaan, levert niet<br \/>\nalleen informatie en nieuwe idee\u00ebn op maar draagt ook bij aan inzicht in en begrip voor<br \/>\nverschillende visies op de dagelijkse werkelijkheid.28<br \/>\nDe beslissing om een interne reflectie te houden, zou een gezamenlijk besluit moeten zijn<br \/>\nvan de bij de zaak betrokken gerechtsbesturen. Met dien verstande dat als het ene<br \/>\ngerechtsbestuur te kennen geeft een interne reflectie te willen houden, het andere bestuur<br \/>\ndie beslissing zal moeten respecteren en &#8216;omarmen&#8217;.<br \/>\nDe keuze van de projectgroep om de uiteindelijke beslissing bij een gerechtsbestuur neer te<br \/>\nleggen, vloeit eenvoudigweg voort uit hetgeen is bepaald in artikel 23 lid 3 van de Wet op de<br \/>\nrechterlijke Organisatie:<br \/>\n&#8220;Het bestuur heeft voorts tot taak binnen het gerecht de juridische kwaliteit en de<br \/>\nuniforme rechtstoepassing te bevorderen. Het voert daarover overleg met een<br \/>\nsectorvergadering of de gerechtsvergadering. Bij de uitvoering van deze taak treedt<br \/>\nhet bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling<br \/>\nvan alsmede de beslissing in een concrete zaak.&#8221;<br \/>\nEen gerechtsbestuur draagt aldus de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van<br \/>\nhet gerecht. Vanuit die verantwoordelijkheid kan ook in zekere zin de &#8216;bevoegdheid&#8217; worden<br \/>\nafgeleid om in bepaalde zaken de rechters\/raadsheren heel indringend te vragen hun<br \/>\nmedewerking te verlenen aan een dergelijk gesprek.<br \/>\nDe focus van een interne reflectie wordt in deze rapportage niet nader ge\u00ebxpliciteerd, want<br \/>\ndie hangt sterk af van de omstandigheden van het geval, maar gedacht moet worden aan:<br \/>\nhet bespreken van opmerkelijke verschillen tussen de twee beslissingen (waar<br \/>\nkomen de verschillen vandaan; zijn er alleen juridische verschillen of hebben ook<br \/>\nandere aspecten een rol gespeeld?);<br \/>\nhet komen tot een gestructureerde analyse van het raadkamerproces met het oog op<br \/>\nde toekomst. Niet om (beleids)afspraken te maken, maar om elkaar te begrijpen en<br \/>\nvan elkaar te leren.<br \/>\nTeneinde de interne reflectie ordelijk te laten verlopen, zonder dat het bewust of onbewust<br \/>\nwordt &#8216;gefrustreerd&#8217; door \u00e9\u00e9n of meer dominante deelnemers, is het nuttig dit gesprek te<br \/>\nlaten leiden door een gespreksleider (te denken is aan een rechter\/raadsheer van een ander<br \/>\ngerecht en\/of iemand van PRISMA) dan wel het gesprek door iemand te laten observeren.<br \/>\nVan een interne reflectie behoeft geen verslag29 te worden opgemaakt, doch indien er<br \/>\nleerpunten zijn die een brede strekking hebben dan zouden deze &#8211; in algemene termen &#8211;<br \/>\naan een vice-president inhoudelijk moeten worden teruggekoppeld. Voorts zou in algemene<br \/>\ntermen in bijvoorbeeld het jaarverslag van de Rechtspraak kunnen worden opgenomen in<br \/>\nhoeveel zaken interne reflectie heeft plaats gevonden en wat de belangrijkste algemene<br \/>\nbevindingen zijn.<br \/>\nDe deelnemers aan een interne reflectie zullen vooraf begrijpelijkerwijs wellicht last hebben<br \/>\nvan &#8216;koudwatervrees&#8217;. Verder is denkbaar dat zij zich door eventueel &#8216;rumoer&#8217; rond hun zaak<br \/>\n28 Vgl. het rapport van de Stuurgroep Parlementaire zelfreflectie van de Tweede Kamer der Staten-<br \/>\nGeneraal, maart 2009, p. 7 en 8. En waarom zou dat niet ook voor raadsheren, rechters en<br \/>\ngerechtssecretarissen hebben te gelden?<br \/>\n29 Hoogstens een strikt vertrouwelijk intern verslag voor de deelnemers.<br \/>\nPagina 18 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nhebben laten vangen door een denkfout. Deze is de volgende: &#8216;Iemand maakt een kleine<br \/>\nfout, maar omdat die kleine fout een heel groot\/ernstig gevolg heeft, was het d\u00fbs een grote<br \/>\nfout.&#8217; Dit laatste is pertinent onjuist, maar het verklaart vaak wel, waarom mensen vaak<br \/>\nmoeilijk over hun &#8216;fouten&#8217; praten. Deze terughoudendheid, wellicht zelfs angst, dient te<br \/>\nworden weggenomen door de reflectoren en door het bestuur van het eigen gerecht.<br \/>\n3.4.1 Pilots interne reflectie<br \/>\nIn het kader van het project zijn in een tweetal zaken ervaringen opgedaan met een interne<br \/>\nreflectie. Zo heeft op 16 maart 2009 in een van oorsprong Zutphense strafzaak een gesprek<br \/>\nplaatsgevonden tussen de rechters van de rechtbank Zutphen en de raadsheren en de<br \/>\ngerechtssecretaris van het gerechtshof Arnhem .30 Deze reflectie werd geleid door een<br \/>\nrechter van de rechtbank Arnhem, daarbij bijgestaan door een medewerker van PRISMA.<br \/>\n\u2022 In deze strafzaak was door de rechtbank een gevangenisstraf van vierjaren<br \/>\nopgelegd, terwijl het gerechtshof kwam tot oplegging van een gevangenisstraf van<br \/>\nachttien jaren. Dit grote verschil tussen beide uitspraken hield verband met het feit<br \/>\ndat de verklaring van een bepaalde getuige ter gelegenheid van de behandeling bij<br \/>\nhet gerechtshof een nieuw gegeven van feitelijke aard op had geleverd, dat van<br \/>\ndoorslaggevende betekenis was. Voorts verschilden beide gerechten van mening<br \/>\nover de vraag of verdachte als een medepleger kon worden beschouwd.<br \/>\nUit deze reflectie hebben de deelnemers de volgende lessen \/ conclusies getrokken:<br \/>\n&#8211; Alle deelnemers hebben de &#8216;interne reflectie&#8217; heel nuttig gevonden. Het gaf eenieder<br \/>\ninzichten in de problemen waarvoor elke combinatie zich gesteld zag, en de<br \/>\nbespreking daarvan is nuttig geweest voor toekomstige soortgelijke zaken. Het op<br \/>\neen dergelijke open en toch vertrouwenwekkende wijze praten over je werk is heel<br \/>\nleerzaam en inspirerend.<br \/>\n&#8211; Het verdient de voorkeur om een dergelijke interne reflectie (als die door \u00e9\u00e9n van de<br \/>\nsamenstellingen\/gerechten gewenst wordt geacht) zo kort mogelijk na het wijzen van<br \/>\nhet arrest te houden, waarbij alle deelnemers (de drie rechters, de drie raadsheren \u00e9n<br \/>\nde twee gerechtssecretarissen) aanwezig zijn; dan is ook de kennis van de rechtbank<br \/>\nvan de zaak en de behandeling en samenwerking nog enigszins &#8220;vers&#8221;.<br \/>\n&#8211; Begeleiding bij deze reflectie werd als nuttig en wenselijk ervaren, vooral ook om niet<br \/>\nte zeer in de casu\u00efstiek te vervallen.<br \/>\n&#8211; Een gesprek als dit is ook plezierig voor een rechter om een zaak waarmee men<br \/>\nenkele maanden heel erg intensief mee bezig is geweest als het ware af te sluiten.<br \/>\nHet gesprek kan tevens dienen om de onderlinge band tussen een rechtbank en een<br \/>\ngerechtshof te versterken.<br \/>\n&#8211; Het bewaken van het proces (het rechtsgeding zelf) &#8211; zodat alle aspecten van de<br \/>\nvoorbereiding, het onderzoek ter zitting tot de nabewerking van de betreffende zaak<br \/>\naan de orde komen &#8211; is heel belangrijk. Aan dat proces moet duidelijk leiding worden<br \/>\ngegeven. Bij die bewaking mag tijdsdruk (of be\u00efnvloeding door het management)<br \/>\n30 Helaas konden door omstandigheden de voorzitter en gerechtssecretaris van de rechtbank er niet<br \/>\nbij zijn.<br \/>\nPagina 19 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\ngeen rol spelen. Als iets nodig is voor een juiste beoordeling in een zaak, moet dat<br \/>\ngewoon gebeuren.<br \/>\nIn een van oorsprong Arnhemse civiele zaak heeft op 2 juni 2009 een gesprek<br \/>\nplaatsgevonden tussen de rechters en de gerechtssecretaris van de rechtbank Arnhem en<br \/>\nde raadsheren van het gerechtshof Arnhem .31 Deze reflectie werd geleid door een rechter<br \/>\nvan de rechtbank Zutphen, daarbij wederom bijgestaan door een medewerker van PRISMA.<br \/>\n\u2022 In deze civiele zaak kwamen beide gerechten tot een verschillende waardering van<br \/>\nhet voorhanden zijnde getuigenbewijs. Voorts hadden beide gerechten een andere<br \/>\nvisie op het leerstuk van de grenzen van de overheidsaansprakelijkheid. Dit leidde tot<br \/>\ntwee geheel verschillende uitkomsten. In eerste aanleg waren de vorderingen van<br \/>\neisers afgewezen, terwijl in tweede aanleg een belangrijk deel van de vorderingen<br \/>\nwerd toegewezen.<br \/>\nUit deze reflectie hebben de deelnemers de volgende lessen \/ conclusies getrokken:<br \/>\n&#8211; Alle deelnemers hebben deze interne reflectie prettig gevonden. Het is waardevol<br \/>\ngebleken om in een setting als deze te praten over je werk.<br \/>\n&#8211; Het is van belang dat er een onafhankelijk gespreksleider bij het gesprek aanwezig is<br \/>\nom dat gestructureerd te laten plaatsvinden.<br \/>\n&#8211; Over het daadwerkelijke nut van een gesprek als het onderhavige bestaat enige<br \/>\nscepsis. Rechtspraak vindt plaats in meerdere instanties en het kan daarom zo zijn<br \/>\ndat andere rechters heel anders naar een zaak kijken. Daar moet je nu eenmaal mee<br \/>\nleren leven. Anderzijds kan een dergelijk gesprek wel extra inzicht geven in het &#8216;hoe<br \/>\nen waarom&#8217; van de beslissing van een ander college in dezelfde zaak en dat is op<br \/>\nzichzelf interessant.<br \/>\n&#8211; (Voorbereiding van) Een gesprek als dit kost de nodige tijd. Naast het primaire proces<br \/>\nkomen er &#8211; zo lijkt het &#8211; tegenwoordig steeds meer &#8216;verplichtingen&#8217; bij.<br \/>\n&#8211; Een interne reflectie geeft inzicht in elkaars aanpak van een zaak. Dat is interessant<br \/>\nen voorkomt, zo zei men, vooral dat er negatieve beelden over en weer over elkaars<br \/>\nuitspraak gaan ontstaan.<br \/>\nDe slotsom van deze pilots is, dat het houden van een interne reflectie heel nuttig kan zijn<br \/>\nom inzicht te verkrijgen in het &#8216;hoe en waarom&#8217; van de (ogenschijnlijke) verschillen tussen het<br \/>\nbetreffende vonnis en het arrest. Voorts kan een helder inzicht worden verkregen in elkaars<br \/>\nwerkwijze. Het is een optimale vorm om van elkaar te kunnen leren en om (voor zover nodig)<br \/>\nbegrip voor elkaar te krijgen.<br \/>\nAl deze aspecten dragen bij aan een verbetering van de kwaliteit.<br \/>\nDe projectgroep realiseert zich dat de verslaglegging van de pilots van de gehouden interne<br \/>\nreflecties summier is. Dat is nu eenmaal inherent aan het vertrouwelijke karakter van die<br \/>\ngesprekken. Niets verzet zich er in een voorkomend geval echter tegen om de hoofdlijnen<br \/>\nvan de gehouden interne reflectie desgevraagd openbaar te maken. Zulks is afhankelijk van<br \/>\nde aard van de zaak en de gerezen verschillen.<br \/>\n31 Door omstandigheden kon \u00e9\u00e9n van de raadsheren niet aanwezig zijn.<br \/>\nPagina 20 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nHoofdstuk 4<br \/>\nReflectiecomm iss je(s)?<br \/>\n4.1 Uitgangspunten uit de projectopdracht<br \/>\nIn de Agenda van de Raad voor de rechtspraak is over de reflectiecommissie de volgende<br \/>\ntekst opgenomen:<br \/>\n&#8216;(..) Reflectiecommissies<br \/>\nWanneer er in de Rechtspraak iets mis gaat leidt dat in het algemeen tot grote<br \/>\ncommotie in de maatschappij en bestaat het risico van afnemend vertrouwen in de<br \/>\nrechtspraak. De Rechtspraak is het aan zichzelf en de buitenwereld verplicht<br \/>\nincidenten te onderzoeken op wat er eventueel is misgegaan in het proces van<br \/>\nrechtspreken. Een reflectiecommissie, met leden van buiten het betreffende gerecht,<br \/>\nkan leiding geven aan een gestructureerde analyse. Het doel van de analyse is het<br \/>\nleren van fouten op zodanige wijze dat ook verantwoording aan de samenleving<br \/>\nwordt afgelegd. Zonder details van de beraadslaging in raadkamer te onthullen<br \/>\nkunnen algemene lessen naar buiten worden gebracht. Onder regie van de Raad<br \/>\nwordt onderzocht op welke wijze deze commissies het beste kunnen worden<br \/>\ningericht. &#8217;32<br \/>\nIn de projectopdracht is aan de projectgroep verzocht een zogenoemd protocol reflectie te<br \/>\nschrijven. Uit de toelichting blijkt dat er twee situaties worden onderscheiden wanneer een<br \/>\nreflectiecommissie zou kunnen worden ingezet:<br \/>\nIngeval er sprake is van fundamenteel van elkaar afwijkende uitspraken, die niet<br \/>\nworden veroorzaakt door evidente individuele fouten of door in hoger beroep naar<br \/>\nvoren zijn gekomen &#8216;nieuw&#8217; bewijs. Als mogelijke definitie voor de strafsector is hierbij<br \/>\ngedacht: vrijspraak versus een veroordeling tot vier jaar of meer. Opmerking verdient<br \/>\ndat in de twee recente gevallen waarin door de strafrechter de verkeerde persoon is<br \/>\nveroordeeld, te weten in de Puttense moordzaak en de Schiedammer parkmoord,<br \/>\nrechtbank en gerechtshof het met elkaar eens waren.<br \/>\n2. Ingeval er weliswaar geen fundamenteel verschil van mening bestaat tussen de beide<br \/>\n(of zelfs de drie) instanties, maar waarbij er na verloop van tijd telkens terugkerende<br \/>\nsignalen worden gegeven vanuit het Openbaar Ministerie, de politie, de advocatuur,<br \/>\nde kring van wetenschappers, dat &#8216;iets&#8217; met een bepaalde uitspraak aan de hand is.<br \/>\n4.2 Inleidende opmerkingen<br \/>\nBij de besprekingen binnen de projectgroep en de klankbordgroep kwam gaandeweg het<br \/>\nvolgende beeld naar voren. Het is van belang om goed voor ogen te hebben dat er een<br \/>\nduidelijk verschil \u2014 een cesuur \u2014 bestaat tussen de instrumenten 1 (hoofdstuk 2) en 2<br \/>\n(hoofdstuk 3), en instrument 3 (hoofdstuk 4)33 Daar waar het bij de instrumenten 1 en 2<br \/>\n(vrijwel alleen) gaat om het leren van beslissingen van hogere rechters en vervolgens, door<br \/>\nhet bespreken van die beslissingen, \u00f4\u00f4k het leren van elkaar, komt er bij instrument 3 een<br \/>\nander element om de hoek kijken. Daar gaat het niet alleen om het verbeteren van de<br \/>\n32 Raad voor de rechtspraak (2007), Agenda van de Rechtspraak 2008 &#8211; 2011, p. 22.<br \/>\n33 Zie de onderverdeling in paragraaf 1.3.<br \/>\nPagina 21 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nkwaliteit (die van de Organisatie als zodanig als ook die van de betrokken rechters,<br \/>\nraadsheren en gerechtssecretarissen), maar ook en misschien vooral om het afleggen van<br \/>\nverantwoording aan de samenleving.<br \/>\n4.3 Introductie van reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur?<br \/>\nDe &#8216;Schiedammer parkmoord&#8217; &#8211; een ernstig misdrijf dat in het jaar 2000 was begaan en<br \/>\nwaarvan kinderen het slachtoffer waren &#8211; leidde in 2002 tot een onherroepelijke veroordeling<br \/>\ndie later als een gerechtelijke dwaling moest worden aangemerkt. Het feit dat de verkeerde<br \/>\npersoon veroordeeld was, kwam onomstotelijk vast te staan nadat de werkelijke dader in<br \/>\n2004, bij een verhoor in een andere zaak, dit misdrijf bekende. Het College van<br \/>\nprocureurs-generaal besloot te laten nagaan hoe deze misslag had kunnen plaatsvinden.<br \/>\nDat onderzoek werd geleid door advocaat-generaal mr F. Posthumus. Na publicatie van zijn<br \/>\nrapport rees (onder andere in de Tweede Kamer) de vraag of er niet meer strafzaken waren<br \/>\ndie als een zogenaamde &#8216;unsafe conviction&#8217;34 beschouwd zouden moeten worden. Dit is<br \/>\nreden geweest voor de Minister van Justitie om samen met het Openbaar Ministerie een<br \/>\nvoorziening te treffen waarin onderzoek kan worden gedaan naar dergelijke zaken.35 Door<br \/>\nhet College van procureurs-generaal is vervolgens in april 2006 die voorziening &#8211; de CEAS<br \/>\ngenaamd &#8211; ingesteld. Die commissie heeft tot doel om door middel van onderzoek na te<br \/>\ngaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolging en\/of de presentatie van<br \/>\nhet bewijs ter terechtzitting ernstige manco&#8217;s hebben voorgedaan die een evenwichtige<br \/>\nbeoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan. Om staatsrechtelijke<br \/>\nredenen dient de rol van de zittende magistratuur bij een CEAS onderzoek buiten<br \/>\nbeschouwing te blijven.<br \/>\nDoor de projectgroep is in een tweetal (interne) tussenrapportages beschreven op welke<br \/>\nwijze reflectiecommissies binnen de zittende magistratuur zouden kunnen worden<br \/>\nge\u00efntroduceerd. Gedacht werd om naar analogie van het CEAS in bepaalde gevallen een<br \/>\nonafhankelijk onderzoek door een commissie te laten instellen naar zaken die, of intern<br \/>\n(binnen de\/het eigen gerecht(en)) of in de publiciteit en\/of de vakpers, grote vraagtekens<br \/>\nblijven oproepen, binnen welk onderzoek 5c5k de rol van de rechter werd betrokken.<br \/>\nDoor de projectgroep zijn hierbij twee situaties onderscheiden:<br \/>\nOnderzoek door een reflectiecommissie als &#8216;vrucht&#8217; van een intern en verticaal<br \/>\noverleg.<br \/>\nEr zijn situaties voorstelbaar dat een zaak binnen een gerecht (alleen binnen een<br \/>\nrechtbank of een gerechtshof) of juist binnen beide instanties ook na een uitvoerig<br \/>\nintern overleg (zie hoofdstuk 2) alsook na verticaal overleg (zoals de interne reflectie<br \/>\nuit hoofdstuk 3) nog steeds vraagtekens blijft oproepen. Onderzoek door een<br \/>\nreflectiecommissie zou wellicht uitkomst kunnen bieden om de impasse binnen de<br \/>\n(een) gerecht(en) te doorbreken.<br \/>\nOnderzoek door een reflectiecommissie naar aanleiding van signalen vanuit de<br \/>\npubliciteit en\/of de vakpers.<br \/>\nHierbij gaat het om zaken die in de publiciteit en\/of de vakpers, grote vragen blijven<br \/>\noproepen, ook\/zelfs n\u00e2dat er binnen de gerechten uitvoerig intern\/verticaal overleg<br \/>\nheeft plaatsgevonden en daar ook in enigerlei mate openbaar verslag van is gedaan.<br \/>\n34 Een mogelijk onterechte schuldigverklaring.<br \/>\n35 Handelingen 112004\/05, nr. 107, p. 6431-6491.<br \/>\nPagina 22 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nDe gedachte was dat het daarbij in de regel zou gaan om zaken met een<br \/>\naanmerkelijk gewicht of belang. Een aantal zaken blijft nu eenmaal, vaak ook na<br \/>\nherziening, vragen oproepen bij de wetenschap, de media en\/of de vakpers. In een<br \/>\naantal gevallen is de vasthoudendheid van die personen\/instanties ook meer dan<br \/>\nterecht.36 Van een onderzoek door een reflectiecommissie, daarna gevolgd door een<br \/>\nheldere toelichting van een gerechtsbestuur, zou een sterke impuls kunnen uitgaan,<br \/>\nteneinde leerpunten op te sporen en zodoende wellicht het mogelijk afgenomen<br \/>\nvertrouwen in de Rechtspraak te herstellen.<br \/>\nDe overige details van bovenstaande gedachten kunnen gelet op het volgende hier verder<br \/>\nonbesproken blijven.<br \/>\nDe hierboven enigszins verkort weergegeven gedachten over de introductie van<br \/>\nreflectiecommissies binnen de zittende magistratuur zijn uitvoerig binnen de projectgroep en<br \/>\nmet de klankbordgroep besproken. Na deze besprekingen heeft de projectgroep zich de<br \/>\nvraag gesteld of een dergelijke vorm van reflectie &#8211; een onderzoek door een<br \/>\nreflectiecommissie, met daarin mogelijk ook leken en met externe verantwoording &#8211; past<br \/>\nbinnen het huidige wettelijke stelsel. Uiteindelijk is tot de eensluidende conclusie gekomen<br \/>\ndat dit niet het geval is en dat niet moet worden overgegaan tot de introductie van<br \/>\nreflectiecommissies binnen de zittende magistratuur. Dit verdient een nadere toelichting die<br \/>\nin paragraaf 4.4 zal worden gegeven.<br \/>\nHet past hier een onderscheid aan te brengen tussen het strafrecht aan de ene kant en het<br \/>\nciviele recht en belastingrecht aan de andere kant. Als het gaat over justiti\u00eble dwalingen dan<br \/>\ngaat het vrijwel altijd over strafzaken. Weliswaar komt het wel eens voor dat er rumoer in de<br \/>\npubliciteit ontstaat over civiele zaken en al weer in mindere mate over belastingzaken. Het<br \/>\ngaat daarbij in een aantal van die zaken (met name familiezaken) vaak niet zozeer om<br \/>\nverschil van mening over het vaststellen van de feiten, maar om verschil in taxatie van de<br \/>\nsituatie en het doorhakken van knopen (Is de situatie zo ernstig dat er uit huis geplaatst moet<br \/>\nworden? Bij wie van de strijdende ouders is het kind het beste af?). Die taxatie en dat<br \/>\ndoorhakken is soms arbitrair. De beslissingen daarover moeten uiteraard goed gemotiveerd<br \/>\nworden, maar controle op de motivering vindt via de gewone rechtsmiddelen al plaats. En<br \/>\nzonodig kan in zo een zaak een interne reflectie gehouden worden.<br \/>\nBinnen het civiele recht en het belastingrecht bestaat bovendien ook het rechtsmiddel van<br \/>\nherziening, maar de ervaring leert dat daar weinig gebruik van wordt gemaakt en dat tot op<br \/>\nheden niet is gebleken dat de huidige herzieningsregeling in die twee rechtsgebieden &#8211;<br \/>\nanders dan in strafzaken &#8211; tekort schiet. Introductie van reflectiecommissies in deze twee<br \/>\nrechtsgebieden is om deze reden niet noodzakelijk.<br \/>\nHet vervolg van dit hoofdstuk zal alleen over strafzaken gaan.<br \/>\n4.4 Geen introductie van reflectiecommissies<br \/>\nOns huidige wettelijke stelsel voorziet niet in de mogelijkheid dat er door een commissie een<br \/>\nvolledig en onafhankelijk onderzoek naar (de feiten in) een strafzaak wordt gedaan, waarbij<br \/>\nde uitkomsten van zo een onderzoek vervolgens &#8216;directe werking&#8217; hebben. In het huidige<br \/>\nstelsel zullen de uitkomsten hoogstens aanleiding kunnen zijn om een herzieningsprocedure<br \/>\nte entameren via de procureur-generaal bij de Hoge Raad (dit is ook de gang van zaken na<br \/>\nde huidige CEAS onderzoeken). Het zal een rechter moeten zijn die uiteindelijk het laatste<br \/>\n36 In dit verband wordt gewezen op de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak, welke<br \/>\nzaken door vasthoudendheid van prof. dr. P.J. van Koppen respectievelijk P.R. de Vries als justiti\u00eble<br \/>\ndwaling zijn herkend.<br \/>\nPagina 23 van 28<br \/>\n&#8216;Project reflectie&#8217;<br \/>\nwoord heeft bij conflicten en niet een commissie. Het openbreken van een onherroepelijke<br \/>\nuitspraak van de rechter is immers een hoogst uitzonderlijke en ingrijpende beslissing. Deze<br \/>\nbeslissing moet worden genomen &#8211; gezien de aan de feitenrechter toebedeelde<br \/>\neindverantwoordelijkheid voor beslissingen van feitelijke aard &#8211; door een instantie die<br \/>\nvoldoende legitimerend is ten opzichte van de feitenrechter, namelijk door de hoogste<br \/>\nNederlandse rechter.37<br \/>\nInstelling van een reflectiecommissie die buiten het wettelijke stelsel om onderzoek zou gaan<br \/>\ndoen naar een zaak die veel maatschappelijke beroering heeft gegeven en waarbij ook<br \/>\nnadrukkelijk wordt gekeken naar de rol van de rechter, zou bovendien tot nog meer<br \/>\nberoering kunnen leiden als de uitkomst van zo een onderzoek (a) niet kan worden ingebed<br \/>\nin het wettelijke stelsel of (b) de procureur-generaal geen aanleiding ziet om een vordering<br \/>\ntot herziening te doen of (c) de Hoge Raad na een mogelijk &#8216;vernietigend&#8217; rapport van een<br \/>\nreflectiecommissie toch niet besluit tot herziening van de zaak of (d) n\u00e2 herziening opnieuw<br \/>\ntot veroordeling leidt.<br \/>\nLet wel, er bestaan dus op zichzelf geen bezwaren tegen onderzoeken naar rechterlijke<br \/>\nuitspraken door commissies met daarin leken, maar voorkomen moet worden dat aan de<br \/>\njustitiabelen valse hoop wordt gewekt, als zouden dergelijke onderzoeken (in het huidige<br \/>\nstelsel) kunnen leiden tot bijvoorbeeld &#8220;een vrijspraak of een zuivering van de naam&#8221;. Er zal<br \/>\naltijd nog een rechter het laatste oordeel moeten vellen.<br \/>\nWaar het gaat om onherroepelijke uitspraken is herziening h\u00e9t middel om deze open te<br \/>\nbreken. Opmerking verdient, dat de Hoge Raad de laatste jaren het bereik van de herziening<br \/>\niets ruimer heeft gemaakt. Toch wordt dit buitengewone rechtsmiddel nog als te beperkt<br \/>\ngeoordeeld om rechterlijke dwalingen te keren. Wel kan opgemerkt worden dat de twee<br \/>\neerder genoemde dwalingen &#8211; Putten en Schiedam &#8211; beide na herziening zijn rechtgezet.<br \/>\nTijdens de werkzaamheden van de projectgroep werden de contouren van de Wet<br \/>\nhervorming herzieningsregeling in strafzaken bekend. Naar het oordeel van de projectgroep<br \/>\nzal die wet aan justitiabelen, die stellen slachtoffer te zijn van een justiti\u00eble dwaling, al die<br \/>\nmogelijkheden bieden om een gedegen nader onderzoek naar hun zaak te laten doen. Het<br \/>\nwetsvoorstel beoogt daarmee structurele oplossingen te bieden, die de instelling van ad-hoccommissies38<br \/>\nzoals CEAS overbodia maakt .39<br \/>\nDe vraag is nog opgeworpen of het niet toch mogelijk is om een onderzoek door een<br \/>\nreflectiecommissie te laten verrichten, doch dan n\u00e2 afloop van een herzieningsprocedure die<br \/>\nheeft geleid tot heropening van een zaak. Er is dan immers geen samenloop meer en dus<br \/>\nstaat niets reflectie meer in de weg, aldus de vraagsteller. Naar het oordeel van de<br \/>\nprojectgroep is ook een onderzoek door een reflectiecommissie in dit stadium van de<br \/>\nprocedure onwenselijk. Ook indien de Hoge Raad het verzoek tot herziening gegrond acht, is<br \/>\nhet nog maar de vraag of de eerdere beslissingen (in het bijzonder die van het gerechtshof)<br \/>\ndaadwerkelijk onjuist zijn. Dat zal immers nog moeten onderzocht in de daaropvolgende<br \/>\nprocedure bij een ander gerechtshof. Mocht daar vast komen te staan, dat er inderdaad<br \/>\n&#8216;fouten&#8217; zijn gemaakt in de eerdere beslissingen dan is het uiteraard gewenst dat zulks in een<br \/>\nvoor eenieder begrijpelijke en aanvaardbare taal wordt uiteengezet in het arrest. Voorts is<br \/>\nhet van het hoogste belang dat d\u00e2t arrest (en het arrest van de Hoge Raad waarin de<br \/>\nherziening is bevolen) door de eerste rechters wordt bestudeerd en besproken (zie daartoe<br \/>\nparagraaf 2.3.1), opdat zij daaruit lering kunnen trekken.<br \/>\n37 Vgl. P.A.M.. Mevis, Verruiming van de herzieningsregeling?, DD 2007, p 239-250.<br \/>\n38 Reflectiecommissies zouden daar in de toekomst mogelijk ook onder hebben kunnen vallen.<br \/>\n39 Memorie van Toelichting, p. 4.<br \/>\nPagina 24 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\n4.5 Wet hervorming herzieningsregeling<br \/>\nDe huidige strafvorderlijke herzieningsprocedure biedt &#8211; naar inmiddels wel algemeen wordt<br \/>\naangenomen &#8211; onvoldoende bescherming tegen rechterlijke dwalingen en fouten Vooral<br \/>\nnaar aanleiding van de Schiedammer parkmoord is daarom aangedrongen op en gewerkt<br \/>\naan een hervorming van de herzieningsregeling. Dit heeft in juli 2008 geleid tot een<br \/>\nconceptwetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met een<br \/>\nhervorming van de herzieningsregeling (Wet hervorming herzieningsregeling)&#8217;. Het<br \/>\nwetsvoorstel beoogt de rechtsbescherming van burgers die ten onrechte zijn veroordeeld te<br \/>\nverbeteren door een modernisering van de herzieningsregeling<br \/>\nDe nieuwe regeling van de herziening, die momenteel bij de Raad van State ter advisering<br \/>\nligt, houdt een verruiming in ten opzichte van de geldende herzieningsregeling. Die<br \/>\nverruiming zit met name in het onderzoek dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan<br \/>\ngelasten naar de feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake<br \/>\nis van een novum. Dat wil zeggen: een feit of bewijsmiddel dat bij het onderzoek ter<br \/>\nterechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger<br \/>\ngeleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige<br \/>\nvermoeden ontstaat dat indien dat feit of bewijsmiddel bekend zou zijn geweest, het<br \/>\nonderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het<br \/>\nopenbaar ministerie, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een<br \/>\nontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder zware<br \/>\nstrafbepaling40.<br \/>\nNiet alleen de onderzoeksmogelijkheden houden een verruiming in, ook het novumbegrip<br \/>\nzelf wordt verruimd, daar waar het &#8211; kort gezegd &#8211; gaat om &#8216;nieuw&#8217; deskundigenbewijs.4<br \/>\nNaar verwachting zal nu juist de eerstgenoemde nieuwe mogelijkheid, het doen van nader<br \/>\nonderzoek naar een novum door een onafhankelijk, deskundig en daartoe goed toegerust<br \/>\nambt &#8211; zoals de procureur-generaal bij de Hoge Raad toch wel moge gekenschetst &#8211;<br \/>\nvoorzien in een sterke behoefte die er ten aanzien van een aantal strafzaken bestaan.<br \/>\nHet conceptwetsvoorstel houdt op dit punt in hoofdlijnen het volgende in, waarbij nadrukkelijk<br \/>\nzij opgemerkt dat in deze rapportage zeker geen volledige bespreking van het betreffende<br \/>\nconceptwetsvoorstel wordt nagestreefd .42<br \/>\nIndien het om ernstige misdrijven gaat kan een gewezen verdachte ter voorbereiding<br \/>\nvan zijn herzieningsaanvraag bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad een<br \/>\nverzoek indienen tot een nader feitelijk onderzoek. Onder omstandigheden is de<br \/>\nprocureur-generaal verplicht dit verzoek toe te wijzen (Artikel 461 [feitelijk onderzoek ter<br \/>\nvoorbereiding van een herzieningsaanvraag]).<br \/>\nVoorafgaand aan een beslissing over het verzoek tot een nader feitelijk onderzoek<br \/>\nkan de procureur-generaal dit verzoek voorleggen aan een adviescommissie<br \/>\n(vergelijkbaar met de huidige toegangscommissie van de huidige CEAS). In die<br \/>\ncommissie kunnen ook deskundigen worden benoemd. Tenzij het verzoek tot nader<br \/>\nonderzoek niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, is de procureur-generaal<br \/>\nverplicht advies in te winnen van de adviescommissie indien de verzoeker is<br \/>\n\u00b0 Artikel 457 [gronden voor herziening] eerste lid, aanhef en onder c Sv (van het<br \/>\nconceptwetsvoorstel).<br \/>\n41 Memorie van Toelichting, p. 19 en 20.<br \/>\n42 Memorie van Toelichting, p. 5.<br \/>\nPagina 25 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nveroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan tien jaar (Artikel 462 [advies over<br \/>\ninstellen nader onderzoek\/adviescommissie]).<br \/>\n&#8211; Bij de uitvoering van het nader feitelijk onderzoek kan de procureur-generaal bij<br \/>\nde Hoge Raad zich laten bijstaan door een onderzoeksteam. Indien nodig kan dit<br \/>\nteam worden aangevuld met externe deskundigen en\/of leden van het Openbaar<br \/>\nMinisterie. Bovendien krijgt de procureur-generaal de bevoegdheid een<br \/>\ngerechtelijk vooronderzoek te doen openen (Artikel 463 [uitvoering nader feitelijk<br \/>\nonderzoek\/rechter-commissaris of onderzoeksteam]).<br \/>\n&#8211; De procureur-generaal kan dus, op verzoek van een gewezen verdachte, al<br \/>\nvoordat er een herzieningsaanvraag is ingediend, een diepgravend feitenonderzoek<br \/>\nverrichten waarbij betrokken kunnen worden<br \/>\na. een adviescommissie, die kan adviseren over de noodzaak van een nader<br \/>\nonderzoek en de vraagstelling van een dergelijk onderzoek;<br \/>\nb. een onderzoeksteam dat feitelijk het nader onderzoek in opdracht van de<br \/>\nprocureur-generaal uitvoert en\/of<br \/>\nc. een rechter-commissaris<br \/>\nEn dit laatste is toch eigenlijk wat een reflectiecommissie zou moeten doen: een diepgravend<br \/>\n(feiten)onderzoek naar\/in bepaalde zaken. Voor strafzaken die om wat voor een reden dan<br \/>\nook het predicaat &#8216;justiti\u00eble dwaling&#8217; of dubieuze zaak&#8217; hebben verkregen, gloort er wat dat<br \/>\nbetreft licht aan de horizon.<br \/>\nEen reflectiecommissie kan ten slotte ook &#8211; daar waar het strafzaken betreft &#8211; in het<br \/>\nvaarwater komen van de adviescommissie en\/of het onderzoeksteam zoals die zijn<br \/>\nvoorgesteld in het conceptwetsvoorstel Wet hervorming herzieningsregeling.<br \/>\nErvan uitgaande dat de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot het gelasten van zo&#8217;n<br \/>\ndiepgravend feitenonderzoek ruim opvat, rijst immers de vraag welke ruimte er nog zou zijn<br \/>\ngebleven voor een reflectiecommissie. Immers, wanneer er na een onderzoek als even<br \/>\nbedoeld, geen sprake blijkt te zijn van een novum, wat houden we dan over? Dan is er<br \/>\nklaarblijkelijk niets nieuws en moeten we terugvallen op de inhoud van het dossier. Dat<br \/>\nbetekent dat de rechter wiens oordeel in twijfel wordt getrokken daarmee reeds bekend was<br \/>\nen dat er dan slechts een verschil van mening rest omtrent de selectie van het<br \/>\nbewijsmateriaal en\/of de daaraan verbonden gevolgtrekkingen.<br \/>\nDe Rechtspraak moet overigens niet de illusie hebben, ook niet straks na invoering van de<br \/>\nnieuwe herzieningsregeling, dat alle rumoer rond strafzaken zal verstommen. Er zullen nu<br \/>\neenmaal altijd zaken blijven, die zelfs ook na herziening (in de huidige en de toekomstige<br \/>\nregeling) rumoer zullen blijven opleveren. Te denken valt aan de Deventer moordzaak. Na<br \/>\neen herziening door de Hoge Raad veroordeelde het gerechtshof Den Bosch verdachte<br \/>\nopnieuw ter zake van moord Daarmee was evenwel de kritiek niet verstomd. De<br \/>\nRechtspraak zal er dan ook mee moeten leven dat sommige mensen over een aantal zaken<br \/>\nanders (blijven) denken en ter zake actie blijven voeren.<br \/>\nPagina 26 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\n4.6 Slotopmerkingen<br \/>\nNaar het oordeel van de projectgroep moet niet worden overgegaan tot een met het<br \/>\nwettelijke stelsel op gespannen voet staande externe reflectie Dit geldt te meer nu de straks<br \/>\nverruimde regeling van herziening voldoende lijkt te voorzien in de behoefte om mogelijke<br \/>\nstrafrechterlijke dwalingen te onderzoeken en recht te zetten.<br \/>\nUiteraard zitten er nog wat weeffoutjes in het conceptwetsvoorstel &#8211; zoals bijvoorbeeld al<br \/>\naangegeven door de Raad voor de rechtspraak43 en de Nederlandse Vereniging voor<br \/>\nRechtspraak44 -, maar naar verwachting zullen deze alle worden hersteld in het komende<br \/>\nproces van wetgeving.<br \/>\n43 Advies 2008132 van 7 oktober 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl<br \/>\n&#8221; In haar advies d.d. 13 oktober 2008 aan de Minister van Justitie (Kenmerk: 366, Wetsvoorstel<br \/>\nHervorming Herzieningsregeling 2008)<br \/>\nPagina 27 van 28<br \/>\nProject reflectie&#8217;<br \/>\nHoofdstuk 5<br \/>\nAanbevelingen<br \/>\nHieronder wordt een aantal aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen zouden naar het<br \/>\noordeel van de projectgroep bij alle gerechten moeten worden ingevoerd, voor zover dat al<br \/>\nniet gebeurd is. De overige aanbevelingen en voorstellen zoals die in deze rapportage zijn<br \/>\ngedaan, worden uiteraard ook van harte aanbevolen.<br \/>\n1. Neem kennis van alle eigen beslissingen die zijn beoordeeld door een hogere rechter<br \/>\n(zoals beschreven in paragraaf 2.3.1)<br \/>\nII. Ga over tot de invoering van een vorm van periodiek vakinhoudelijk werkoverleg (zoals<br \/>\nbeschreven in paragraaf 2.3.5).<br \/>\nIII. Treedt vaker dan nu het geval is in overleg met de rechtbank respectievelijk het<br \/>\ngerechtshof uit het ressort om over en weer over kwaliteitsonderwerpen te spreken<br \/>\n(zoals onder meer beschreven in paragraaf 3.3).<br \/>\nIV. Het houden van \u00e9\u00e9n of meer interne reflecties per jaar per sector wordt van harte<br \/>\naangeraden. De bevindingen en ervaringen die hierin worden opgedaan door de<br \/>\nbetrokkenen zijn van onschatbare waarde voor het dagelijkse werk (zoals beschreven<br \/>\nin de paragrafen 3.4 en 3.4.1).<br \/>\nHet vertrouwen van de samenleving is een (noodzakelijke) voorwaarde voor goede<br \/>\nrechtspraak. Dat vertrouwen is echter geen maatschappelijk gegeven. Dat moet telkens weer<br \/>\nverdiend of herwonnen worden. Voor incidenten en dreigende incidenten mag\/kan de<br \/>\nRechtspraak dan ook niet haar ogen sluiten Door als rechter\/gerechtssecretaris in enigerlei<br \/>\nvorm te reflecteren op je werk en dat in voorkomende gevallen ook zichtbaar te maken aan<br \/>\nde samenleving, kan vertrouwen dat mogelijk afgenomen of geschonden is weer worden<br \/>\nherwonnen.<br \/>\nMochten er naar aanleiding van deze rapportage vragen zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot<br \/>\n\u00e9\u00e9n van de aanbevelingen (Hoe organiseren we een interne reflectie?), dan kunt u contact<br \/>\nopnemen met de projectsecretaris van de projectgroep (m.ouweneeI2@rechtspraak.nl).<br \/>\nPagina 28 van 28<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>een van de redacteuren Als kwaliteitsfunctionaris binnen het ministerie van Justitie was ik betrokken bij werkzaamheden in het kader van professionaliseringsprojecten en bij werkzaamheden van PRISMA in het algemeen. Als het ware was ik in dienst van het ministerie als &hellip; <a href=\"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/2013\/02\/22\/1032_eindrapport-project-reflectie-ouweneel-e-a\/\">Continue reading <span class=\"meta-nav\">&rarr;<\/span><\/a><\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"_bbp_topic_count":0,"_bbp_reply_count":0,"_bbp_total_topic_count":0,"_bbp_total_reply_count":0,"_bbp_voice_count":0,"_bbp_anonymous_reply_count":0,"_bbp_topic_count_hidden":0,"_bbp_reply_count_hidden":0,"_bbp_forum_subforum_count":0,"om_disable_all_campaigns":false,"_monsterinsights_skip_tracking":false,"_monsterinsights_sitenote_active":false,"_monsterinsights_sitenote_note":"","_monsterinsights_sitenote_category":0,"_uf_show_specific_survey":0,"_uf_disable_surveys":false,"footnotes":""},"categories":[1],"tags":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/1032"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=1032"}],"version-history":[{"count":7,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/1032\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1038,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/1032\/revisions\/1038"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1032"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=1032"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.slachtoffersjustitie.nl\/wordpress\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=1032"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}